Tuesday, October 17, 2006

Lacrime per Paolo



Zo af en toe gebeurt het dat sport je echt naar de strot grijpt, dat een prestatie ontroert tot op het bot. Dat de waterlanders niet binnen te houden zijn, dat het schokschouderend snikken en snotteren is op de bank, hoe pathetisch ook. Het overkwam me toen Marco van Basten Oranje naar de Europese titel schoot, toen diezelfde Van Basten te vroeg afscheid nam in een ramvol San Siro, toen Ellen van Langen goud won in Barcelona, toen Barbara de Loor vorig jaar eindelijk wereldkampioen werd op de 1000, toen zwoeger, knoester, stoemper Andrea Tafi de baas was in de Hel van het Noorden, toen Gert-Jan Theunisse als eerste aankwam boven op de Alpe d'Huez, toen Dennis uithaalde tegen Argentinië, toen Grosso met een boogbal de Duitsers op de knieën dwong, toen Pieter de snelste was op de 200, toen Dan Jansen sprintte op leven en dood voor zijn aan kanker overleden zuster, toen collega-schaatser Gerard van Velde eindelijk eerste werd in plaats van vierde. In heel veel andere gevallen hield ik het droog, gelukkig, maar afgelopen zaterdag weer eens niet. Ik lag onderuit gezakt op de bank in Florence. Lamlendig, mijn buik tegen een warme kruik gedrukt. Een glaasje Siciliaanse Nero d'Avola bij de hand, om de herinnering aan de zeilvakantie levend te houden. Wat schijfjes Toscaanse salami op een snijplank. De wind blies om het huis, het liep al tegen vieren. Het wachten was op wielrenners. Ik kon niet wachten op de eerste beelden vanuit de Giro di Lombardia, 'la corsa delle foglie morte' oftewel: de ronde van de 'stervende' herfstbladeren. Ik hoopte enigzins op Boogerd. Die was vaak goed, alhoewel ook vaak tweede. Daar gingen we. Wat welkomstwoorden van de commentatoren van de Rai en hupsakee, lekker meteen aanvallen bij Bellagio. Daar hield ik van. Geen lamlendigheid, maar knallen, vuurwerk! Met z'n allen driftig doortrappen op de pedalen, trak-trak-trak tegen de kuitenbijter omhoog richting het legendarische kerkje van Ghisallo. Een vluchtig saluut aan de beschermheilige van de wielrenners en dan weer door. Doorhalen, doorrammen, doorknallen, doorbeuken. Meters pakken, zoals in het verleden Coppi, Bartali, Bartoli en Merckx ook deden. Je tegenstander afbeulen. Hier bij Ghisallo, op minder dan vijftig kilometer van de meet, werd het kaf van het koren gescheiden. Echte mannen toonden hier hun leeuwenhart, aan mietjes geen behoefte. Ik zag Bettini kijken, loeren. Hoe zat Boogerd erbij? Was Sanchez vandaag gevaarlijk? Kwam het venijn van Schleck of van Weggman? Verderop in de koers. Een soort halfzachte aanval van Di Luca en patsboem, weg was Bettini. Demarreren vanuit de rug van Di Luca in een soort contra-attack, al dan niet bekokstoofd. Vijf meter, tien, twintig, vijftig. Bettini was weg. En alleen Weggman kon volgen. Ik schoot omhoog op de bank en ging er eens goed voor zitten. Vandaag was ik fan van Bettini die zich als een dolleman in de afdaling richting Como stortte. Slingeren met gevaar voor eigen leven, langs vangrails en stenen muren tegen een fel rood gekleurde achtergrond. Ohhhh... 'Dai, dai Paolo! Forza!'. Je kon van Bettini zeggen wat je wilde, te klein, te kaal, maar niet dat hij geen 'palle', geen ballen had. Ik hoopte dat hij zou winnen. Arme Paolo.
Twee weken geleden had ik hem aan de lijn. Bettini, de kersverse wereldkampioen, was met de perschef van Quickstep onderweg vanuit Livorno naar Zürich. Hij was vrolijk, vriendelijk, opgewonden. Vertelde over het feestje na afloop van het WK in Salzburg. Ze hadden met z'n allen gedanst, champagne gedronken, gezongen. Tot diep in de nacht. Niet alleen de azzurri. Michael Boogerd en Tom Boonen waren er ook. Ze waren blij geweest voor Paolo dat hij had gewonnen, hadden het hem gegund. 'En dat geeft mijn overwinning alleen nog maar meer glans', zei Bettini. Hij had de week daarna amper getraind, was van media-optreden naar media-optreden gesleurd en had tussendoor ook nog even het verjaardagsfeetsje van zijn 3-jarige dochterje georganiseerd. Maar hoorde je Bettini klagen over vermoeidheid of iets anders? Hij giechelde. 'Olympisch kampioen en dan nu wereldkampioen. Ik geloof dat ik tamelijk tevreden mag zijn, ik ben een gelukkig mens', zei Bettini. Het geluk was hem niet lang gegund. Drie dagen later reed Paolo's oudste broer Sauro zich op driehonderd meter van zijn huis in La California de dood in. Onderweg van Milaan in slaap gevallen achter het stuur, bocht gemist en boem, zo de sloot in langs de levensgevaarlijke Via Aurelia. Van de hemel in de hel. Bettini was ontroostbaar geweest. Hoe kon hij verder zonder broer, zijn steun en toeverlaat. Als er een God bestond, waarom hadden ze hem Sauro dan afgenomen? Aan de andere kant: de twee grootste coureurs die het Italiaanse wielrennen ooit heeft voortgebracht, Coppi en Bartali, moesten ook allebei een broer afstaan. Coppi, Bartali en Bettini, voor altijd verenigd in het lot. De échte groten betalen blijkbaar een zware prijs voor hun succes. 'Stoppen, stoppen. Het is mooi geweest', schoot het deze week door het hoofd van Bettini, die werd overmand door verdriet. 'Zou Sauro zijn restaurant hebben gesloten als jij het was geweest?', vroeg vader Giuliano een dag voor de Ronde van Lombardije aan Paolo. Tuurlijk niet. En dus besloot Poalo door te knokken. Sauro had het zo gewild. Hij zou zijn jongste broer hebben willen zien winnen, de regenboogtrui moet met trots worden gedragen. Zo geschiedde en hoe! De grinta spatte van Bettini af terwijl hij zich omhoog trok tijdens de klim van San Fermo. Prachtig spektakel. Nog acht kilometer. Sanchez kwam dichterbij, Weggman was nog steeds niet geklopt. Tien seconden voorsprong. Doortrappen, Paolo, doortrappen! Ik zat met kippenvel voor de buis. Prachtsport. Wie had het hier over Basso, over vlegel Floyd Landis? Daar was het lint voor de laatste kilometer. Nog honderd meter. Truitje recht trekken, twee vingers ten hemel, tranen. Werkelijk hartverscheurende toestanden na de meet. Paolo in een omhelzing met pa en ma, met vrouw en kind en met neefje Francesco, het 11-jarige zoontje van Sauro. Samen snikken. 'Ik reed vandaag niet alleen. Ik heb zijn aanwezigheid de hele dag gevoeld', snotterde Paolo. Ik hield het niet meer. Dikke tranen biggelden over mijn wangen. Pathetisch jazeker, maar toch, wie werd hier niet week van? 'Het was papa', zei Francesco. 'Hij heeft je vandaag duwtjes in je rug gegeven'. De wereldkampioen streek Francesco over zijn bol. Ik veegde mijn tranen af.

4 comments:

Anonymous said...

Mooi. mooi geschreven, mooi moment. Ook ik hield het niet droog.
Ik heb op mijn 11e mijn vader verloren, verder niks aan de hand, maar ik ben wel altijd extra gevoelig voor vader/zoon momenten, begrijp je.

Groet, Stephan Gonnissen

Pastasport said...

Dank voor je compliment. En voor altijd Bettini, zullen we maar zeggen?

Anonymous said...

Geweldig geschreven..geweldige momenten ook die je noemt, ik heb er nog 2 waar bij mij de tranen van gingen rollen; Joop Zoetemelk en Gerrie Kneteman die het wereldkampioenschap winnen!

Anonymous said...

Dit is een weblog die alle zaken combineert die me boeien, Italië, sport en de beleving van de sport in Italië en dan ook nog mooi verwoord. Overigens nog leuker dat het door een dame word geschreven, want je verwacht dit meestal van een man, maar je schrijft met heel veel sportkennis en dat mis ik bij de meesten, vooral op tv. Deze blog staat mooi bij mijn favorieten. Overigens ga ik komend jaar naar Italië voor een cursus Italiaans en probeer ik contact te zoeken met Bettini en zijn trainingsmaten in Toscane, zodat ik met hem kan gaan trainen, maar ik besef dat dit een zware dobber zal worden.