Saturday, April 18, 2009

Grootste prijs ooit: 5.549.749.000 lire






Ik heb deze week de Totocalcio weer eens ingevuld. Hartstikke leuk. Vooral met een espresso erbij. Eenen, tweeën of een kruisje voor een gelijkspel. Hetzelfde principe als vroeger bij de voetbaltoto.


Bij ons in Waalwijk kwam op vrijdag een mannetje op een Kaptein Mobylette aan de deur, met een knalrood dophelmpje op zijn kop. Het maakte me nerveus als hij meekeek over mijn schouder terwijl ik aan de keukentafel nadacht over de uitslag van NEC-PEC Zwolle of Go Ahead Eagles-PSV. Daarna draaide hij het velletje door een metalen kastje op zijn buik - kopietje voor hem, het origineel voor mij - en zei (met zijn helm meestal nog op): 'Tot de volgende week dan maar weer. Houdoe!' Hele middagen lag ik op bed te fantaseren waar ik al die duizenden guldens wel niet aan zou uitgeven, maar ik won natuurlijk nooit.

Deze week nieuwe ronde, nieuwe kansen. Maar dan in de Totocalcio. De Italiaanse variant van de voetbaltoto werd in 1946 geïntroduceerd door Massimo Della Pergola, een Joods-Italiaanse journalist van de Gazzetta dello Sport die tijdens de oorlogsjaren door de fascisten te werk werd gesteld in een concentratiekamp in Pont de la Morge. Het was aan de boorden van de rivier de Rhône dat Della Pergola in gevangenschap het idee voor de Totocalcio verzon. ,,In het kamp was ik zelf een nummer: nummer 21.915.''

Volgens Della Pergola was Totocalcio dé manier om geld te verdienen en om (een deel van) dat geld weer terug te laten stromen naar de sport. Eenmaal bevrijd en weer achter een Olivetti op de redactie van de roze sportkrant vond Della Pergola het tijd om Italië, in navolging van Engeland, Zweden en Zwitserland, in te wijden in de wereld van de kansspelen. Tegen de achtergrond van een bijna bankroete natie (toenmalig president De Gasperi moest voor een staatsbezoek aan Frankrijk zelfs een overjas lenen van een van zijn ministers) groeide de Totocalcio uit tot een geweldig succes. Hele volksstammen deden mee. Voetbalfan of niet, man, vrouw, jong, oud, arm of rijk. 'Beproef uw geluk voor de prijs van een glas Vermouth' luidde de slogan.

En dat is wat de Italianen deden, hun geluk beproeven. Met miljoenen tegelijk. Totocalcio hoorde net zozeer bij de traditie van het Italiaanse voetbal als het spelen van wedstrijden op een vast tijdstip op de zondagmiddag ooit was. De Totocalcio deed de straatarme fan in het naoorlogse Italië dromen van een betere toekomst. En voor sommigen wás die er ook. Zoals voor Pietro Aleotti. De timmerman uit Treviso, gespecialiseerd in het maken van doodskisten, won in 1947 met zijn lijstje 1, 1, x, x, x, x, x, x, 2, 1, 1, 1 liefst 64 miljoen lire (ruim 33.ooo euro), een godsvermogen.

De gelukkige winnaars van de Totocalcio groeiden in de jaren daarna uit tot bekendheden van B-formaat die met hun hoofd in de krant verschenen. In 1950 werd Giovanni Mannu in een tv-uitzending als een soort boksheld onthaald. Doldwaze toestanden in de studio, het publiek op de banken. En daar stond de mijnwerker uit Sardinië dan, op het podium met wat mooie missen in de buurt. Onhandig zwaaiend met een vette cheque boven zijn hoofd.

In 1993 werd de grootste prijs ooit uitgekeerd (5.549.749.000 lire). Daarna ging het bergafwaarts met de Totocalcio. Verkeerd management, verandering van eigenaar, gerommel met het oorspronkelijke idee; dat soort werk. Er kwamen midweekse wedstrijden bij en concurrenten zoals Superenalotto, SNAI en Bwin. De fan raakte de kluts kwijt. Bovendien werd krassen en inzetten via internet populair. Allemaal ten koste van de Totocalcio. Bijna 63 jaar na oprichting is de Italiaanse toto op sterven na dood. De toekomst is onzeker. Volgens de noodkreet in de Gazzetta doen er dit weekeinde slechts 121.000 Italianen mee.

En een Nederlanse dus. Ik heb ingezet op een 1 voor Juventus tegen Inter en een 2 voor Milan tegen Torino. Tot volgende week dan maar weer. Houdoe!

Thursday, April 16, 2009

Adriano

De politie was dagen naar de beroemde voetballer op zoek die na het trainingskamp met de Braziliaanse plzoeg zoek was geraakt. Op vrijdag mistte hij het vliegtuig naar Milaan. De zaakwaarnemer kreeg geen gehoor. Zelfs mama Rosilda had geen idee waar haar zoon uithing. Ze maakten zich vreselijk zorgen. Ze dachten dat hij dood was. Overhoop geschoten door een bende uit Rio de Janeiro. Of anders zelfmoord gepleegd. De roddelpers schreef dat er op donderdag een beroemde voetballer was gesignaleerd op een feestje van een drugsbaron uit Chatuba, een sloppenwijk in het Noorden van de stad. Men vermoedde dat het om Adriano ging die in diezelfde favela ooit leerde voetballen op straat. De spits van Inter zou hebben gedanst tot diep in de nacht. Met mooie meiden en transseksuelen en met twee glimmende pistolen, meehupsend in holsters op de heupen. Hij zou zich hebben beklaagd over de roem en de rijkdom (‘Geld is niet alles’) en zoop zichzelf daarna een delirium. Om de ellende te vergeten.
En het begon allemaal zo mooi. Adriano Leite Ribeiro, een uit de kluiten gewassen knaap uit een van de armste sloppenwijken van Rio, maakte tijdens de zomer van 2001 zijn debuut voor Internazionale. Het gebeurde tijdens een vriendschappelijk duel tegen Real Madrid dat de Braziliaan zo vréselijk hard uithaalde uit een vrije trap dat de doelpalen in Bernabeu er nog van natrillen. Adriano was sterk, snel en technisch; een doelpuntenmachine met een fluwelen balbehandelig. Ze noemden hem de Hulk of l’Imperatore, naar de Romeinse keizer Hadriano. Nadat de spits vanaf 2001 voor een paar seizoenen werd verhuurd aan Fiorentina en Parma keerde hij in januari 2004 terug naar Milaan. Het was met reuzenstappen dat Adriano daarna de top van het internationale voetbal bestormde. Uitblinker en topscorer tijdens de Coppa America van dat jaar en een sensatie in Italië. Adriano dribbelde en scoorde. Met links of met rechts. Met het hoofd of met de punt van de schoen. De Braziliaan wist de wereld aan zijn voeten maar achter de façade van de vrolijke doelpuntenmachine schuilde het verdriet van een introverte en eenzame jongen die zich maar geen raad wist met het plotselinge overlijden van zijn vader Almir, tijdens de zomer van 2004. Toen daarna zijn vriendin Daniella hem verliet, samen met zoontje van amper een jaar, raakte de voetballer in een depressie. De doelpunten droogden op en Adriano greep steeds vaker naar de fles. Geen wijn maar bier. Of cocktails. Thuis drinken op de sofa van zijn villa in Como of met foute vrienden in nightclubs in Milaan. Steeds vaker werd de Braziliaan tot diep in de nacht gesignaleerd in discotheek Hollywood en volgens de Corriere della Sera werden er regelmatig über-exclusieve feestjes georganiseerd in de suite van het chiqueste hotel van de stad. Dan lieten Adriano en zijn makkers flessen Champagne aanrukken van het merk Christal en werd er feest gevierd met Milanese meisjes, callgirls en zelfs travestieten. Op tienduizend euro meer of minder werd niet gekeken. En de volgende dag natuurlijk niet op tijd voor de training. Of anders in beschonken toestand. Zoals afgelopen november gebeurde toen Adriano na een avondje stappen zich weliswaar op tijd meldde in het trainingskamp van Inter maar met een enorme kegel door trainer José Mourinho weer van het veld werd gestuurd. Boetes, straftrainingen of gesprekken met Mancini of Mourinho; niets hielp. Vaak beloofde hij beterschap. Even zo vaak ging het mis. Zoals vorige week.
Het goede nieuws is dat Adriano niet dood is. Hij leeft. De afgelopen dagen hield hij zich schuil in zijn appartement in Rio, met mama Rosilda en zijn oma in zijn buurt. Het is onduidelijk of de speler wordt opgenomen in een ontwenningskliniek of terugkeert naar Italië. ‘Misschien. Na Pasen’, zei zijn zaakwaarnemer deze week. José Mourinho is dit keer niet boos. Wel verdrietig. ‘Het is een trieste geschiedenis’, zei de Portugees deze week. ‘Het gaat ons nu alleen nog maar om Adriano. Niet om de voetballer maar om de mens’. Het is voor Adriano te hopen dat hij de verleiding van de fles op een dag kan weerstaan om te voorkomen dat hij eindigt als zijn landgenoot Garrincha. Die Goddelijke kanarie zoop zich uiteindelijk dood. Garrincha overleed in 1983, aan de gevolgen van levercirrose. Hij was pas 49 jaar oud. Adriano heeft nog 22 jaar om het met zichzelf goed te maken.

Sunday, April 05, 2009

Kleur

Ik was deze week even op bezoek in Nederland. Woensdag nog naar Oranje gekeken. Lelijke kleur vind ik, Oranje, maar geweldig om in te voetballen. Het steekt lekker fel af, is origineel en herkenbaar. Zo moeten de oprichters van de Toscaanse voetbalclub Pistoiese er ook over hebben gedacht toen ze in 1921 voor arancione als clubkleur kozen. Het Nederlandse elftal gold daarbij als inspiratiebron. De Olandesi speelden in hetzelfde jaar een oefenduel in Genua. ‘De wedstrijd tegen Italië eindigde in een saai gelijkspel maar Oranje had met sprankelend voetbal heel het Italiaanse volk weten te enthousiasmeren’, schrijven Alessandro Savorelli en Sergio Salvi in hun onlangs verschenen boek ‘Tutti i colori del calcio’. Het tweetal deed voor het naslagwerk uitgebreid onderzoek naar de herkomst en achtergronden van clubkleuren binnen het Europese voetbal. Naar het hoe en waarom van combinaties als bianconero, nerazzurro, biancoceleste, rossoblù, giallorosso, rosanero, geblokt, gestreept, staand of liggend. Wat blijkt is dat oranje en paars als stamkleur het minst voorkomen, dat bordeaux in de Serie A populair is (Reggina, Torino), dat rode strepen kunnen verwijzen naar bloedvergieten in een ver en heldhaftig verleden en dat het gebruik van meer dan drie kleuren taboe is omdat het anders maar een janboel wordt. Bovendien wordt gesuggereerd dat groen (in katholiek Italië althans) mede wordt vermeden omdat het de kleur is van de islam. Reuze-vermakelijk, al die nieuwe inzichten. Nooit geweten dat het roze in het shirt van Palermo staat voor het zoet der overwinning en het zwart voor de rouw na een nederlaag. Juventus speelde ooit in het roze, met bijpassende stropdassen. Het was geen bewuste keuze, maar noodzakelijk kwaad. Het geld groeide de studenten-oprichters van Juventus in die beginjaren niet op de rug. Roze katoen was in grote hoeveelheden en voor een zacht prijsje verkrijgbaar waarna moeders, tantes en zussen van de spelers zich achter hun naaimachine zetten. De verfomfaaide shirts werden na drie jaar vervangen door gestreepte shirts in zwart en wit van Notts County die een Engelse zakenman meebracht uit zijn geboortedorp Nottingham. De keuze voor rossonero in het jaar van oprichting van AC Milan (1899) had met toeval niets te maken. Of zoals oud-speler en mede-oprichter Herbert Kilpin het verwoordde: ‘De shirts moeten rood zijn omdat wij duivels zijn en dan doen we er nog een beetje zwart bij om de tegenstanders helemaal de stuipen op het lijf te jagen’. Het waren woelige en progressieve tijden. Het kapitalisme was in opkomst, het socialisme ook en in de jonge republiek Italië werd het gezag van de katholieke kerk volop ter discussie gesteld. In die zin kwam de duivel als symbool van vrijheid en rebellie het Brits-protestante deel van de Milanese aanhang goed uit in hun polemiek tegen de paus. Anderen vermoeden dat het rood vooral symbool staat voor het socialistische karakter van de club tijdens de beginjaren, met een groot deel van de aanhang afkomstig uit de arbeidersklasse. Uit die tijd stamt ook de bijnaam van de fans van AC Milan: casciavitt (schroevendraaiers). En dan heb je nog het a-typische viola van voetbalclub Fiorentina. Marco van Basten zei het laatst nog: ‘Het is toch iets aparts, dat paars’. En dat is het ook. De spelers van Fiorentina moeten vreemd hebben opgekeken toen ze de oorspronkelijk rood met witte shirts in het paars terugzagen; het gevolg van een foutje van de wasvrouw die de tenues samen met een paar blauwe kousen in de was had gegooid. Waarheid of legende? Hoe dan ook zijn de Florentijnse fans inmiddels vreselijk verknocht aan la Viola, waarmee twee kampioenschappen werden gewonnen. ‘De club doet er toe, de clubkleuren niet’, zei Franz Beckenbauer ooit met weinig gevoel voor romantiek. Nee, dan Patrick Vieira. ‘Ik draag het shirt niet, het shirt draagt mij’ aldus de Fransman. Ik hou op het laatste.

Friday, March 27, 2009

Neo-Subbuteo

Alessandro Benedetti knipte een zwart aktekoffertje open en haalde tien miniatuurvoetballers van Ajax tevoorschijn. Plus Edwin van der Sar die vastgeplakt was op een plastic stokje. Dit was het beroemde kampioenselftal van Ajax uit 1995, door Benedetti met de hand geschilderd. Eén van zijn lievelingssets, net als het Nederlands elftal van 1988. Benedetti kon de namen en rugnummers zo opdreunen; Van Breukelen, Van Aerle, Van Tiggelen, Rijkaard, Gullit en Van Basten. Het was een geweldig priegelwerk geweest, vanwege het rastahaar van Gullit en die vreemde gevlamde shirts, maar het Oranje uit 1988 is het pronkstuk uit zijn collectie.

Edilio Parodi, de Italiaanse importeur uit Genua, belde ooit op om te vragen wat het elftal moest opleveren. Maar dacht je dat de jongens te koop waren? Voor geen goud. Toen vroeg Parodi of Benedetti zijn kampioenselftal beschikbaar wilde stellen voor de overzichtstentoonstelling 50 jaar Subbuteo. Dat mocht wel.

Subbuteo werd in 1946 bedacht door de Engelsman Peter Adolph. Het is een miniatuurvoetbalspel waarbij de bal wordt geraakt door met de wijsvinger te knippen tegen een driedimensionaal voetballertje op een soort halve maan.

'Flick to kick', zoals de slogan luidde. Tijdens de jaren zeventig en tachtig groeide Subbuteo uit tot een enorme rage. Benedetti kreeg het spel begin jaren zeventig kado met de Kerst. Een prachtige doos met teams in rood en blauw, doeltjes, een plastic bal en een groen vilten laken als speelveld. Hij was verkocht. Uren hing Benedetti met vriendjes boven een tafel op zolder. En maar knippen met die vingers, schaven aan de techniek. Vrije trappen nemen en penalty's. Ingooien, uithalen, aanvallen. Zo snel mogelijk. Oppassen voor buitenspel. Net echt.

Tijdens de hoogtijdagen speelden zo'n zeven miljoen Italianen Subbuteo. Hele kampioenschappen werden nagespeeld. Van de Serie A tot Europese wedstrijden en internationale kampioenschappen aan toe. In miniatuurstadions met lichtmasten en met fans. Zo kon het gebeuren dat in 1974 in München toch een Nederlander wereldkampioen werd. Dick Rietveld versloeg tijdens de finale op de vierkante centimeter de Engelsman Dent, 2-1.

Begin jaren negentig werd het verval ingezet. Subbuteo had een stoffig imago en jonge jongens knipten liever met de knoppen van een Nintendo. In 2000 viel het doek. Producent Waddingtons hield ermee op. Een Amerikaanse speelgoedfabrikant kwam daarna nog wel met een variant, maar de echte Subbuteo-fan vond het maar niks. ,,Het onderstel van de voetballers werd vergroot. Ze kieperen minder snel om, glijden beter. Voor Subbuteo heb je echt techniek nodig, voor het moderne tafelvoetbal niet. Dat kan iedereen. Vergelijk het met het verschil tussen Serie A en Serie C1,'' aldus Benedetti. Maar er is goed nieuws.

In Italië is het ouderwetse Subbuteo weer in opmars sinds nostalgische fans op vrijdag reproducties kunnen sparen bij de aankoop van weekblad Panorama. Wereldkampioen Italië was de eerste uitgave en vanaf vandaag ligt het Argentijnse elftal in de kiosk.

In Lucca worden sinds kort weer toernooitjes georganiseerd, zoals maandag in een jongerencentrum net buiten de stad. Benedetti, achtvoudig Toscaans kampioen, had er vanuit Montecatini speciaal de auto voor gepakt. En nu stond hij hier dan, na al die jaren. Zesenveertig inmiddels en opnieuw in een finale.

Zijn Ajax-setje stond er mooi opgeblonken bij dankzij een extra pufje siliconenspray, tevens voor meer glijvermogen. Benedetti hing over de tafel. Hij keek geconcentreerd naar de bal en naar de keeper van de tegenpartij. Die bewoog wat nerveus op en neer op zijn stokje. Daarna haalde hij uit met zijn magische vinger. Tok! Het balletje stuiterde op van de grond, zwierde met effect over de muur en belandde buiten het bereik van de keeper in de linkerbovenhoek: 4-0. Einde wedstrijd. Flick to kick!

Monday, March 23, 2009

Nergertje van Carosio


Vijftig jaar Studio Sport betekent vijftig jaar met het bord op schoot. In Italië wordt de spaghetti pas laat opgediend. Met het bord op schoot bestaat dus niet.

Bovendien wordt Studio Sport niet door de publieke omroep, maar door Mediaset uitgezonden, de commerciële zender van premier Berlusconi. Het Italiaanse equivalent van NOS Studio Sport heet la Domenica Sportiva maar het populairste sportprogramma is Tutto il calcio minuto per minuto (al het voetbal minuut voor minuut), een soort Langs de lijn avant la lettre.

Na de eerste uitzending in 1959 werd de verkoop van transistorradiootjes naar enorme hoogten opgestuwd. Vijftig jaar later zitten miljoenen Italianen nog elke zondagmiddag aan de radio gekluisterd. In de taxi of op h et strand, in de woonkamer of op de tribune. Tutto il calcio brengt sinds het eind van de jaren vijftig voetbal in de huiskamer van de doorsnee Italiaan. De commentatoren zijn householdnames, mannen die op de hoek van de straat of tijdens het bestellen van een halfje bruin aan hun stem worden herkend. Zoals vroeger Enrico Ameri en later Nando Martellini.

Martellini versloeg ontelbare Tours en Giro’s maar geniet vooral bekendheid vanwege drie staccato-achtig uitgesproken zinnetjes, de ether ingestuurd vanuit de nok van het Bernabeu-

stadion tijdens de finale van het WK van 1982 in Spanje: ‘Campioni del mondo! Campioni del mondo! Campioni del mondo!’ Italië wereldkampioen.

Martellini zou later uitgroeien tot de Mart Smeets van de Rai maar de grootste van allemaal blijft Nicolò Carosio. Generaties Italianen droomden weg bij het horen van zijn rokerige stem. De Siciliaan was meer acteur dan commentator, maar wat kon het schelen in een tijd dat de televisie als scherprechter nog niet b estond?

Als Carosio in een stadion achter de microfoon schoof, werd voetbal een voorstelling als het leven zelf. Carosio's commentaar was als een opera van Puccini.

De lyriek van Carosio leverde spelers als Piola en Meazza mythische proporties op. En dan riep Carosio: ‘Angolo!’ (hoekschop), ‘fuorigioco!’ (buitenspel), ‘mani’ (hands), ‘rete!’ (goal). Zo ging het ook tijdens de door Italië gewonnen WK’s van 1934 en 1938. Engelse varianten waren verboden. Football hoorde onder Mussolini calcio te zijn.



Carosio deed wat hem door il Duce werd opgedragen, maar hield vast aan zijn flamboyante stijl. Hij tetterde er gewoonlijk vrolijk op los, in regenjas en met gleufhoed op een krukje langs het veld. In de ene hand een sigaar, in de andere een glas whisky.

‘Aangezien je in dit vak nogal snel een fout maakt, kun je je maar beter met een glas wisky in de hand laten zien. Dan heb je tenminste een alibi’, zei Carosio.

Op naar de volgende goal. Of ‘bijna- goal’, zoals Carosio zichzelf met terugwerkende kracht probeerde te verbeteren als de bal tóch niet zat. Dan riep hij snel: ‘Quasi rete!’ Het zou een gevleugelde uitspraak worden en Carosio’s handelsmerk.

Met de invoering van de televisie maakte de radioman een succesvolle overstap, maar tijdens het WK van 1970 in Mexico ging het uiteindelijk mis. ‘Wat denkt dat negertje wel niet?’, liet Carosio zich ontglippen toen de Ethiopische grensrechter Seyoum Tarekegn zich vergiste in buitenspel tijdens Italië tegen Israël. Een faux pas van formaat.

Wat volgde was een geweldige diplomatieke rel tussen Italië en Ethiopië. Carosio werd onder druk van de publieke opinie naar huis gestuurd en kwam bij de Rai daarna niet meer aan de bak. Het betekende het trieste einde van een toch glorieuze carrière. Carosio overleed in 1984.

Bijna 25 jaar na zijn overlijden staat de pionier weer volop in de belangstelling.

Dat heeft alles te maken met het feit dat Tutto il calcio minuto per minuto dit jaar vijftig jaar bestaat. Net als Studio Sport.

Saturday, March 14, 2009

Wielrennen kijken in Toscane


Ik stond afgelopen woensdag op een heuvel net buiten Lucca. Aan de rand van de weg in een olijfboomgaard, omringd door gepensioneerde mannen met dikke buiken in té strakke wielershirts. De meesten lummelden zo maar wat in de berm, in afwachting van de koers. Een enkeling had een tafeltje en wat klapstoeltjes opgezet en genoot in de zon van de lunch. Beetje slap ouwehoeren over wie er vandaag gaan winnen zou. Een hap focaccia en een slok rood. Wat amateurwielrenners op leeftijd triptrapten zich tegen de bult omhoog. De lente hing in de lucht. Zilvergrijze blaadjes van olijfbomen flakkerden in de zon. In de vijgenboom zat inmiddels knop, aan de wijnranken nog geen druiven. In de verte lag Lucca. De kerktorens staken als speldenknoppen in de lucht. ‘En richting het westen’, zei wielervriend Palladino, ‘kun je de zee zien liggen’. Franco Clerici was er ook bij. De lokale held omdat hij tijdens de jaren zestig nog voetbalde voor Reggina en Messina in de Serie A, groette links en rechts wat vrienden. Daarna kwam hij bij ons staan en begon over de winnende goal die hij ooit scoorde in het Olympisch stadion tijdens een uitduel tegen AS Roma. ‘Om nooit te vergeten, maar eigenlijk was ik liever wielrenner geworden’, zei Franco die nerveus pielde aan de knoppen van zijn transistorradio. ‘Ze zitten nu in Bientina!’ De gemankeerde coureur zei dat hij het tijdens zijn voetbalcarriere nog wel een tijdje had geprobeerd - voetballen én wielrennen tegelijk. Dan sprong hij als een bezetene op de fiets als zijn vriend Francesco Moser belde voor een trainingsrit of hij schreef zich stiekem in voor wedstrijden. Verdomd dat hij wel eens won ook, maar na een tijdje kwam de klad erin. Franco werd er als voetballer houterig van, van al dat gefiets. Zijn spieren werden stijf, het ging ten koste van de explosiviteit.

Vanaf 1968 volgt hij het wielrennen daarom als fan. Tijdens de Tour de France van dat jaar stond hij boven op de Aubisque en zag Eddy Merckx alleen voorbij komen, na een solo van meer dan honderd kilometer. ‘Fan-tas-ti-co. Zijn gezicht zag zo wit als de boord van dit overhemd’, zei Franco en greep naar zijn kraag. ‘Van de inspanning en de kou, denk ik. Of misschien toch van de dope?’ Hij lachte. Over pepmannen en pillen gesproken. Daar stapte zomaar voormalig dopingzondaar Raimondas Rumsas van de fiets. De Litouwer kwam niet zomaar uit de lucht vallen. Rumsas, in 2002 nog derde tijdens de Tour de France, woont al jaren in een villa net buiten Lucca. Samen met zijn vrouw Edita en kinderen. Dat die twee nog bij elkaar zijn mag op zich een wonder heten. Mevrouw Rumsas werd ooit voor 68 dagen in het gevang geslingerd nadat ze aan de Franse grens werd gepakt met een Audi vol EPO, corticoïden en testosteron. ‘Voor mijn doodzieke moeder’, zei Edita Rumsas maar de Franse politie vermoedde wat anders. Volgens de gendarmerie was het snoepgoed voor haar echtgenoot bedoeld en het gerucht ging zelfs dat de Rumsasjes de huisdealers waren van het peloton. Edita ontkende. Datzelfde deed Raimondas toen hij tijdens de Giro d’Italia van 2003 op het gebruik van EPO werd betrapt. De bleekblonde coureur kwam daarna als prof niet meer aan de bak, maar fietste de afgelopen jaren een Godsvermogen bijeen in het circuit van de Italiaanse granfondo’s. Tegenwoordig is Raimondas met pensioen. Slechts een keer per maand stapt hij nog op de fiets, voor een trainingsrit dwars door het Toscaanse land. Voor het overige is hij huisman en trainer van zijn oudste zoon, die ook heel best fietsen kan. Ah, daar zou je eindelijk de coureurs hebben. Twee onbekende mannen op kop en daarna een groep van een man of dertig. Di Luca, Rebellin en Nibali op de eerste rij. ‘Forza ragazzi’, brulden Franco en Palladino de longen uit het lijf. ‘Kom op Thomas’, riep ik naar Dekker in zijn nieuwe clubkleuren zwart en rood. Daar schoot de regenboogtrui van Alessandro Ballan voorbij en Fabian Cancellara, de winnaar van de Tirreno Adriatico van vorig jaar, zag ik ook. Vijf minuten later was de opwinding al weer voorbij. Tafeltjes en stoelen werden ingeklapt. De wijn was op, maar de primavera kon nu eindelijk beginnen.

Eerder gepubliceerd in AD Sporwereld

Thursday, March 12, 2009

Vittimismo

In Italië wordt het fenomeen vittimismo genoemd. Italiaanse voetbaltrainers en –spelers doen het graag; de slachtofferrol spelen. Ze gebruiken vittimismo om de schuld af te schuiven of gebruiken het als een alibi voor een nederlaag. Voorzitter Andrea Della Valle van Fiorentina was eerder dit seizoen bloedserieus toen hij het na een paar onfortuinlijke nederlagen had over een complot tegen zijn club. ‘Zij zijn groot en ik ben klein en dat is niet eerlijk’, zong Calimero. Zoiets. Vittimismo. Luciano Spalletti, coach van AS Roma, deed het afgelopen zondag nog. Zijn ploeg had net met 3-3 gelijkgespeeld tegen Inter, nadat het met 1-3 had voorgestaan. De trainer stak na afloop de hand niet in eigen boezem. Hij vroeg zich niet af waarom zijn ploeg, die beter speelde, opnieuw een voorsprong uit handen had gegeven en gaf in plaats daarvan de schuld aan de scheids. Die gaf volgens Spalletti in de tweede helft een onterechte penalty aan Inter waardoor het 2-3 werd. En daarna 3-3. Middenvelder Daniele De Rossi van AS Roma ging nog een stap verder. ‘Inter heeft helemaal geen hulp nodig. Ik betwijfel of ik op deze manier ooit het kampioenschap kan winnen’. Wantrouwen jegens arbiters is in Italië diep geworteld. Helemaal sinds Moggipoli. Een leidsman is bij voorbaat corrupt, tenzij het tegendeel is bewezen. Een scheidsrechter wordt een cornuto genoemd; iemand wiens vrouw vreemdgaat maar het betekent ook klootzak of idioot. En laten het nou juist de klootzakken en de idioten zijn (politie-agenten, rechters en politici bijvoorbeeld) die in de ogen van de gemiddelde Italiaan de wet toepassen of uitvoeren, net als de man in het zwart op het voetbalveld.
Je vraagt je af waarom iemand in Italië nog het beroep van scheidsrechter kiest. Vroeger ging het nog wel. Je had arbiters als Concetto Lo Bello, die de prins werd genoemd omdat hij in zijn zwarte pak met gesteven witte kragen er onberispelijk uit kon zien. Lo Bello stond er altijd geweldig opgeblonken bij. Met glimmend zwart haar en zijn snor keurig in de krul. Het ging op het veld niet om de voetballers, maar om hem, Lo Bello, een strenge scheidsrechter met autoriteit. Niet dat hij geen fouten maakte, maar tegen Lo Bello trok je niet zo gemakkelijk van leer. En de moviola bestond nog niet. Sinds op televisie dagelijks wordt ingezoomd op beelden van blunderende arbiters is alles anders. Scheidsrechters zijn aangeschoten wild. Letterlijk en figuurlijk. Luca Cardinalini, journalist en amateurvoetballer, schreef er in 2004 een vermakelijk boekje over. Het gaat over het zware leven van de arbiter en geeft een opsomming van vechtpartijen, achtervolgingen en andere bizarre incidenten met Italiaanse arbiters in de hoofdrol. Het zijn allemaal waargebeurde verhalen. Je lacht je soms een breuk, maar met humor heeft het niets te maken. In Piëmonte werd een scheidsrechter ooit tot aan de kleedkamer achtervolgd nadat hij Olbia tijdens een uitduel tegen Vercelli in de extra tijd een penalty had gegeven. De man zat urenlang opgesloten en moest uiteindelijk door de politie worden ontzet. In Sicilië werd een speler voor vijf jaar geschorst nadat hij een vreselijke kopstoot uitdeelde waardoor de scheids zijn neus brak en zijn voortanden verloor. In Montecchio, in Emilia Romagna, werd een leidsman eens vijftien kilometer lang achtervolgd door een woedende fan op een motorfiets en in Calabrië werd een arbiter vanwege het geven van een gele kaart door een volledig voetbalteam in elkaar gehengst, daarbij geholpen door de grensrechter - tevens lid van de thuisclub - die de man toetakelde met de cornervlag.
Zo ver kwam het zondag gelukkig niet, maar volgens José Mourinho heeft vittimismo een soortgelijk effect. Het leidt de aandacht af van het voetbal, van het eigen falen. Tijdens een persconferentie wond de Portugees zich dinsdag vreselijk op. Hij noemde het gehuilebalk van trainer, spelers en tegenstanders in de Italiaanse media ‘intellectuele prostitutie’; een manier om de publieke opinie te beïnvloeden, in het nadeel van Inter natuurlijk. De Portugees maakte zich met die opmerking niet populair. Hem hangt nu een straf van de Italiaanse voetbalbond boven het hoofd, vanwege het beledigen van collega’s en het in diskrediet brengen van het Italiaanse voetbal. Een voordeel: niemand had het deze week over de Italiaanse scheidsrechters. Die werden met rust gelaten.

Saturday, February 28, 2009

'Niemand lacht meer om Van der Sar'

'Niemand lacht meer om Van der Sar'

De column van Candido Cannavò ging vorige week over Edwin van der Sar. De meesterschrijver leverde zijn stukje zoals elke donderdag in op de redactie van de Gazzetta dello Sport en bestelde daarna een bordje pasta in de kantine. Na een paar sliertjes begon Cannavò te trekken met zijn mond en werd getroffen door een hersenbloeding. Zondag was de pater familias (78) van de Italiaanse sportjournalistiek dood.

Gestorven in het harnas, dat wel. Cannavò was de maestro van het geschreven woord en gold als het geweten van de Italiaanse sport. Dan bén je dus iemand, in de laars. Il Direttore gaat vreselijk gemist worden.

Toch is het mooi dat hij Edwin van der Sar op de valreep rehabiliteerde. 'Niemand lacht meer om Van der Sar', stond er vorige week vrijdag boven Cannavò's laatste stuk. Dat deden ze vroeger wel. Vooral uitlachen. Zowel pers als publiek. Als doelman van Juventus werd Edwin van der Sar ooit Edwin van der Gol (goal) genoemd. Of pannocchione (maiskolf). Geen vleiende bijnamen voor een doelman.

De Nederlander die in Engeland inmiddels het ene na het andere record verbreekt, wordt in Italië herinnerd als een lange lijs die door Totti ooit voor schut werd gezet met een lob (halve finale EK 2000) en die onder de lat bij Juventus een paar vreselijke blunders beging.

Zijn beroemdste papera (uitglijder) maakte hij in 2000 tegen landskampioen Lazio. Salas haalde niet eens zo heel hard uit, maar Van der Sar gleed op zijn gat en zag de bal achter zich in het net belanden.

Voor de tifosi van Juve was de maat vol. Spandoeken, spreekkoren en fluitconcerten tegen Van der Sar. Ook de media waren medogenloos. Vooral La Stampa maakte Van der Sar met de grond gelijk. De krant had het over een gebrek aan uitstraling, maakte grapjes over zijn flaporen, schreef dat hij brutto (lelijk) was en dat hij er niet uitzag als een échte kampioen. Van de doelman klopte opeens helemaal niets meer.

Toenmalig Juventus-trainer Carlo Ancelotti verdedigde hem in de media met hand en tand maar verklaarde later – weliswaar off the record - dat de Nederlander hem zeker twee kampioenschappen zou hebben gekost. Niet dat Ancelotti hem niet mocht. Daarvoor was Van der Sar veel te aardig en sociaal. Hij lag goed binnen de groep en sprak binnen een mum van tijd beter Italiaans dan sommige van zijn ploeggenoten.


Zijn Italiaanse avontuur begon in 1999 overigens nog best aardig. Pas tegen het einde van het eerste seizoen begon de goalie te schutteren. Verkeerd uitkomen, moeite met hoge ballen; dat soort werk. Van der Sar werd un caso (een geval). Driftig werd naar verklaringen gezocht. In de kranten werd gesuggereerd dat de Nederlandse goalie iets aan zijn ogen had en dat hij gewoon een brilletje nodig zou hebben. 'Einde mysterie, probleem opgelost', kopte la Repubblica opgelucht. 'Onzin', zei Van der Sar die in zijn beste Italiaans probeerde uit te leggen dat ze zich vergisten en dat het om Edgar Davids ging.

Tevergeefs. Buffon kwam, Van der Sar ging. Tot opluchting van de fans in Turijn en misschien ook wel tot opluchtig van Van der Sar zelf, die in Engeland (voetbal-)geluk en vorm hervond. 'Negen jaar na zijn vertrek uit Italië zou je je af hebben kunnen vragen waar in Jurassic Park die wat vreemde Van der Sar van zijn pensioen aan het genieten is. In plaats daarvan staat de Nederlander op het punt een absolute legende te worden', schreef Cannavò vorige week. 'Gelukkig zit het leven vol verrassingen. Wat is het mooi om met een glimlach revanche te nemen'.

Ik las de zinnen met een mix van weemoed en plezier. Voor de allerlaatste keer Candido Cannavò. Dinsdag werd de geboren Siciliaan begraven op het Cimitero Monumentale van Milaan. In de buurt van Giuseppe Meazza, legendarisch Inter-voetballer uit een ver verleden.

Volgende week de return Manchester United – Inter. De toekomst is aan Edwin van der Sar.


Saturday, February 14, 2009

Culinaire derby



Het is dit weekend ook derby tussen Lamberto Gori en Francesco Arrigoni. Lamberto is uitbater van restaurant l’Assassino in Via Amadei nummer acht, op een paar tellen van de Dom in Milaan. Zijn neef Francesco bestiert een paar deuren verderop in de straat trattoria alla Collina Pistoiese. In beide restaurants staan vooral Toscaanse gerechten op de kaart, maar bij l’Assassino zijn ze voor Milan, bij alla Collina Pistoiese voor Inter. Bij l’Assassino dineren Berlusconi en Ancelotti en de Maldini’s hebben er een vaste tafel. Bij alla Collina Pistoiese bestelt de familie Moratti geregeld een biefstuk of een bordje ribollita, zoals Helenio Herrera en Enzo Bearzot dat vroeger al deden. l’Assassino werd begin jaren vijftig geopend door de vader van Lamberto, Ottavio Gori. De geboren Toscaan was als kok al werkzaam voor AC Milan. Toen hij zijn eigen restaurant opende, was het bijna vanzelfsprekend dat de spelers bij hem aan tafel belandden. In eerste instantie het Zweedse trio Gre-No-Li (Gunnar Gren, Gunnar Nordahl en Nils Liedholm) en later sterren zoals Gianni Rivera en Cesare Maldini. Voor Nereo Rocco, legendarische trainer van Milan tijdens de jaren zestig, was het restaurant een tweede thuis. Na de training op Milanello pakte El Paron de auto en scheurde gewoonlijk richting l’Assassino voor de avondmaaltijd. De coach had er zijn vaste tafel in de hoek. ‘Rocco hield van vlees en vis, maar het meest hield hij van een flinke fles Chianti’, zei Lamberto Gori toen ik hem deze week aan de lijn had. En terwijl Rocco zijn mes zette in een flinke lap vlees, werd de tactiek doorgenomen of over nieuwe spelers beslist. Soms werd zelfs de uitslag al afgesproken, als een gelijkspel beide partijen goed uitkwam. Na twaalven was het gewoonte dat Lamberto’s vader de luiken naar beneden gooide. Dan werd er door Rocco graag een potje gekaart, samen met Gori senior en wat oudere spelers. Er waren ook vaak bevriende journalisten bij, zoals de beroemde Gianni Brera. Dan werd er door de mannen aan tafel gezongen en gedanst. Dan kwam er nóg meer wijn op tafel. Een keer liet Rocco zich in beschonken toestand ontvallen dat hij erover dacht om José Altafini te verkopen. ‘En Piero Prati mag ook ophoepelen naar een andere club’, zei Rocco met dubele tong. De scoop werd door spionnen als de wiedeweerga doorgebeld en stond de volgende dag in de krant. Rocco woedend natuurlijk, maar de dag erop werd bij Ottavio gewoon weer een biefstuk besteld. Nederlanders kwamen er trouwens ook. Gullit, Rijkaard en Van Basten. Meestal in het gezelschap van Arrigo Sacchi, maar ook wel alleen. Zoals Ruud Gullit, met zijn eerste vrouw en twee kindjes. De Nederlander vroeg altijd om dezelfde tafel en wilde tijdens de maaltijd liever niet gestoord worden. Dat was een gouden regel voor het personeel en de fans. ‘Handtekeningen werden pas uitgedeeld als Gullit zijn bord leeg had’, aldus Lamberto Gori. Ver voor de tijd van il tulipano nero (de zwarte tulp) bestelde il tulipano volante (de vliegende tulp) zijn pasta bij alla Collina Pistoiese. Dan vroeg Faas Wilkes de dag voor de wedstrijd om crostini met kippenlevertjes en wat plakken salami of eigenaar Pietro Gori, broer van Ottavio, serveerde pasta met fagioli, ossobuco of risotto met pompoen. In 1949 gaf Inter de buurjongens van Milan een geweldige oorwassing. Het werd 6-5. Wilkes scoorde niet, maar zat die avond met de hele spelersgroep van Inter bij alla Collina Pistoiese aan tafel en hief het glas. Tifosi nerazzurri bouwden ‘s avonds een geweldig feest buiten op straat. Vooral om de verliezers te pesten. Vermaak van het ouderwetse soort. Zondagavond wordt in stadion San Siro de 270ste derby della Madonnina gespeeld sinds Inter en Milan elkaar in 1908 voor de eerste keer troffen. Toen won Milan. Met 2-1. De balans slaat na al die jaren uit in het voordeel van de ploeg rossonero (106 – 91) maar Inter is op dit moment de trotse koploper in de Serie A. Ongeacht de uitslag is de kans klein dat beide selecties na afloop komen eten in de rivaliserende trattorie in Via Amadei. Tijden veranderen. De spelers gaan volgens Lamberto liever naar Finger’s, het fusionrestaurant van Clarence Seedorf. Of naar de hippe tent van Kakha Kaladze. Hoe dan ook heeft Francesco Arrigoni zijn eerste weddenschap inmiddels lopen. Mocht Inter zondag winnen, dan is de maaltijd voor Massimo Moratti op maandag gratis. Andersom moet het dubbele betaald. Lamberto Gori gaat zondag naar het stadion, Francesco Arrigoni niet. Die moet werken. Helaas. Beiden dromen van de overwinning.

Thursday, February 12, 2009

Kleinduimpje verslaat voetbalreus



Cagliari won het afgelopen weekeinde met 3-2 van Juventus. Het gebeurde met fris en fruitig voetbal van mooie jonge mannen en de knapste van het stel, Alessandro Matri, knalde er uiteindelijk de winnende in.

Ik zat in Lucca voor de buis en genoot van de beelden na afloop. Innige omhelzingen, handen ten hemel. Dit zag eruit als intens voetbalgeluk. Dat krijg je ervan als Kleinduimpje de voetbalreus verslaat. Tijdens een uitwedstrijd nog wel.

Ik moest aan Francesco Tatti denken, de Nederlandse zoon van een Italiaanse immigrant uit Sardinië, die tijdens de zomer van 1999 een brief schreef aan de redactie van Sportpaleis de Jong. Het was een verassend A4’tje. Ik las prachtige volzinnen, in de clubkleuren van de squadra rossoblu en met een sticker van Cagliari Calcio onderaan het velletje geplakt. Tatti schreef over zijn favoriete voetbalclub en over Luigi Riva, ‘de beroemdste voetballer van Italië’. Hij sloot af met: ‘Ik hoop dat jullie geïnteresseerd zijn om over deze voetballer een programma te maken (en mijn vader ook)’.

Nog wat kopietjes van Italiaanse kranten erbij, een handtekening en een vriendelijke groet.

Later volgden nog twee brieven en ik had Francesco ook wel eens aan de lijn. Dan had hij het over zijn vader, die tijdens de jaren zestig naar Nederland kwam om in de Limburgse mijnen te gaan werken en daarna bij Hoogovens. Hij legde uit dat senior zijn ziel en zaligheid had gegeven voor de Nederlandse zaak, maar dat hij in zijn hart altijd was blijven houden van Sardinië.

Van zijn geboortedorp Ruinas, van een bordje spaghetti alla bottarga en van Cagliari Calcio natuurlijk. En daar vertelde senior dan over. Prachtige anekdotes over helden uit een andere tijd. Over trainer Manlio Scopigno bijvoorbeeld, die de filosoof werd geno

emd en die wel drie pakjes kon paffen op een dag.

Toen Scopigno zijn spelers ooit betrapte tijdens een potje klaverjassen op een hotelkamer, in een wolk van sigarettenrook en met de flessen drank op tafel, pakte hij er gezellig een stoel bij en zei: ‘Is het goed als ik zelf ook een sigaretje opsteek?’ Na een half uur lagen de spelers op bed en de volgende dag werd met 3-0 gewonnen.

De trainer was één van de geheimen achter het succes van Cagliari aan het einde van de jaren zestig, maar de échte held was Luigi Riva. Het was il rombo di tuono (rollende donder) die Cagliari in 1968 voor het laatst aan een uitoverwinning tegen Juventus hielp en een seizoen later was hij de absolute ster in een team dat het kampioenschap van Italië won.

Dat was een mooi stel hoor. Mannen met poëtische voetbalnamen zoals Mario Martiradonna, Comunardo Niccolaï, Ricciotti Greatti en Gigiriva natuurlijk. De titel werd op het eiland gevierd als een soort bevrijding. En zo was het eigenlijk ook.

‘Dankzij het voetbal heeft Sardinïe afgerekend met eeuwenoude vooroordelen en complexen en is het toegetreden tot de rest van Italië’, aldus journalist Gianni Brera. De film over Luigi Riva is er nooit van gekomen, maar de brieven van Francesco Tatti heb ik altijd zorgvuldig bewaard. In een laatje in Hilversum en later in een verhuisdoos in Italië.

Deze week toverde ik ze weer eens tevoorschijn en belde daarna de auteur op. We hadden het over de wedstrijd en Francesco vertelde dat hij er gelukkig bij was, in Turijn. Zijn broer ook. En nog wat vrienden. Zijn vader helaas niet. Die overleed vijf jaar geleden. Na zijn dood hebben ze hem overgebracht naar Sardinië, waar hij nu begraven ligt in Ruinas.

Het was zoals hij het zelf graag wilde. Terug naar het eiland, terug naar zijn geboortegrond. Voor altijd in de buurt van de voetbalhelden van vroeger.


Friday, February 06, 2009

Gomorra


Toen Gomorra vorig jaar vlak voor de EK zijn premiére beleefde in Italiaanse cinema’s, gaf Roberto Donadoni zijn selectie een avondje vrijaf. De bondscoach vond dat zijn spelers deze film móesten gaan zien. Heel Italië had het al over het boek gehad en nu was er dan de film, waarin een realistisch beeld wordt geschetst van de werkwijze van de Napolitaanse maffia; de camorra. En daar zaten de regerend wereldkampioenen dan. Keurig geknipt en geschoren, met het haar nog nat, in azuurblauwe trainingspakken, op de eerste rij van een bioscoop in het centrum van Florence. Aanvoerder Fabio Cannavaro in het midden, met naast hem Totò Di Natale en Marco Borriello. De drie Napolitanen uit de squadra azzurra hadden zich net lekker ingegraven of op het zwarte doek werd al een stel gangsters neergeknald, afgemaakt tijdens een uurtje bruinen in een zonnebankcentrum. De sfeer zat er gelijk goed in. Dit werd geen feelgoodmovie. Dat begrepen de internationals ook wel. De film maakte wel duidelijk wat de harde werkelijkheid is in de Napolitaanse buitenwijk Scampia waar meer in drugs dan in dagelijks brood wordt gehandeld. Het is tegen die achtergrond dat de camorra regeert met straffe hand. Indringend is de scène waarin een stel capi di tutti capi van de Casalesi-clan het tijdens een potje klaverjassen eens wordt over het koudmaken van de twee onnozele halzen Marco en Ciro, want de spelregels zijn simpel: ‘O si è da una parte, o dall'altra (je staat aan deze kant of aan de andere)’. In de woonkamer hangen afbeeldingen van spelers van SSC Napoli tegen de wand. Voetballers als stille getuigen van de maffia. Dat was Diego Armando Maradona ooit ook. De Argentijn was dikke vrienden met Carmine Giuliano, ‘de leeuw uit Forcella’ en kon het ook goed vinden met diens zuster Celeste, de sterke vrouw uit de familie. De Giuliano’s zaten op zondag in pak en met opgeföhnd haar op de tribune in stadion San Paolo en staken Maradona na afloop graag een builtje cocaïne toe als dank voor alweer een wonderschone goal. Spelmaker en maffiabaas kwamen geregeld bij elkaar over de vloer. Zo kon het gebeuren dat Maradona er als een soort peetoom bij was toen de oudste dochter van Giuliano de eerste communie deed. Toen Napoli in 1987 het scudetto won, werd de afterparty gevierd op het luxe jacht van Godfather Giuliano, met Maradona als eregast en een groot deel van de selectie aanwezig. Alhoewel de Argentijn banden met de maffia altijd heeft ontkend, bestaat er een legendarische foto van Maradona samen met de gebroeders Giuliano in een badkuip van bladgoud, gegoten in de vorm van een enorme schelp. De heren kijken vriendelijk lachend de camera in, waarna vermoedelijk de zoveelste fles champagne werd ontkurkt. Alles werd er aan gedaan om het de voetbalgod in Napels naar de zin te maken. Coke, hoeren, sloeren. U vraagt, wij draaien. Andersom werd de spelmaker natuurlijk ook wel eens om een gunst gevraagd, zoals in het seizoen 1987/88. Toen kon Maradona er een paar weken voor het einde opeens helemaal niets meer van, althans, zo leek het. Napoli verspeelde een veilig geachte voorsprong van vijf punten op concurrent AC Milan, dat uiteindelijk de titel won. Volgens Pietro Pugliese, ex-maffioso en klikspaan, was het verknallen van het kampioenschap geen toeval maar een vooropgezet plan van de camorra om te voorkomen dat te grote sommen geld dienden te worden uitbetaald in de illegale toto. De acteur Maradona voerde het script alleen maar uit. Terug naar Gomorra, de film die dit weekend nog draait tijdens het Internationale filmfestival van Rotterdam en die begin maart kanshebber is voor een Oscar als beste buitenlandse inzending. Fabio Cannavaro zei onlangs te hopen op die prijs, maar tegelijkertijd ook weer niet, want: ‘De film is niet bepaald goed voor het imago van Italië’. Een dag later ontkende il capitano woorden van die strekking. Wie weet waarom. Of zou het ermee te maken kunnen hebben dat de geboren Napolitaan Cannavaro ooit hoopt terug te keren in de stad en bij de club waar zijn voetbalsprookje begon?

Elke vrijdag verschijnt een column van Renate Verhoofstad in Sportwereld van het Algemeen Dagblad. www.sportwereld.nl

Friday, January 23, 2009

Bandiera tot in de dood


Echte clubmannen worden in Italië bandiera’s genoemd. Paolo Maldini (AC Milan) is er zo een, Alessandro Del Piero (Juventus) natuurlijk en Francesco Totti (AS Roma) ook. Vroeger had je Gigi Riva, een soort Kakà avant la lettre die meerdere malen nee zei tegen de bergen met geld van Milan en Juventus omdat hij liever bij provincieclubje Cagliari bleef. Voor minder pecunia, maar meer geluk. ‘Het is in Sardinië zo lekker scheuren langs de kust, met één hand aan het stuur en in de andere een sigaret, terwijl de zon aan de horizon in zee zakt. Kan in Turijn niet’, vertelde de huidige teammanager van de squadra azzurra me ooit tijdens een trainingskamp van de nationale ploeg. Vaak groeien boegbeelden op in de eigen jeugd, zijn ze van onbesproken gedrag en vanwege hun trouw de absolute afgoden van de curva. Een wat vergeten held is Agostino Di Bartolomei, aanvoerder van AS Roma toen Totti nog in de luiers zat. Di Bartolomei leerde voetballen in de straten van Tor Marancia, in één van de armste volksbuurten van Rome, waar gezinnen met soms meer dan tien kinderen werden opeengepakt in piepkleine appartementen, aangevreten door de betonrot. In die misère zocht een piepjonge Di Bartolomei troost bij de bal. Het straatschoffie maakte furore in de jeugd van AS Roma en zou later uitgroeien tot een legendarische libero, die met de neus in de wind en de blik op oneindig zijn manschappen aanvoeren kon. Di Bartolomei was een tikkeltje aan de trage kant, maar lostte dat gebrek op met inzicht. Met mooie lange ballen op links en op rechts kon hij het spel dirigeren dat het een lieve lust was en lepelde geregeld een vrije trap of een penalty erin. En dan zongen de fans: ‘Ohooo Agostino. Ago, Ago, Ago…Agostino gol!’ Di Bartolomei was een kei van een voetballer, bovenal een heer. Een goedgemanierde jongeman met een melancholieke blik in de ogen en een strakke scheiding in het gitzwarte haar. Ze noemden hem Il capitano buono (de goede aanvoerder). Ruzies met de scheidsrechter ging hij het liefst uit de weg, maar mocht hij eens verhaal gaan halen dan gebeurde dat met de handen op de rug. Het was de pacifist in Di Bartolomei die niet agressief wilde overkomen. Hij wilde een consigliere (raadgever) zijn. Met Di Bartolomei als aanvoerder in een team vol vedetten en met de Braziliaan Falcão en Pietro Vierchowod voor zich, beleefde AS Roma begin jaren tachtig gouden jaren, met het scudetto in 1983 als absoluut hoogtepunt. Het was voor Di Bartolomei een jongensdroom die in vervulling ging. Het jaar erop ging het mis. Tijdens de finale van de Champions League tegen Liverpool werd in het eigen Olympisch stadion nota bene, verloren na het nemen van penalty’s. Het bleek achteraf zijn laatste wedstrijd voor AS Roma te zijn geweest. Die zomer werd de Romeinse zoon tegen zijn zin verkocht aan AC Milan omdat Roma de clubkas wilde spekken. De voetballer vatte die actie op als hoogverraad. Hij zou de klap nimmer te boven komen. Na een paar jaar in dienst van Milan, Cesena en Salernitana, zei Di Bartolomei in 199o vaarwel tegen het voetbal en trok zich terug in zijn villa in San Marco di Castellabate. De voormalige voetballer hoopte op een baantje als jeugdtrainer bij AS Roma, maar het telefoontje kwam nooit. Toen ook het opzetten van een voetbalschool daarna mislukte, werd de ellende Di Bartolomei teveel. Op 30 mei 1994, precies tien jaar na de verloren finale in de Champions League, pakte il capitano buono zijn Smith & Wesson erbij en joeg zich op het terras van zijn villa een kogel door het hart. ‘Ik voel me opgesloten in een donker hol’, schreef hij in zijn afscheidsbrief. Na zijn dood werd er in Rome een straat naar hem vernoemd en in zijn woonplaats draagt de voetbalschool alsnog zijn naam. Voor Di Bartolomei kwam het eerbetoon te laat. Voor de fans van AS Roma blijft hij een bandiera, ook na zijn dood. ‘Ze hebben je je club afgepakt, maar niet je curva’, aldus de tekst op een spandoek.Het mooiste Italiaanse voetballied ooit geschreven, la leva calcistica della classe '68, werd volgens sommigen aan Di Bartolomei opgedragen. Klik op de onderstaande link. Om weemoedig van te worden.

Deze column werd eerder gepubliceerd in het AD. De auteur van pastasport schrijft elke vrijdag over sport in Italië voor AD Sportwereld. www.sportwereld.nl

http://www.youtube.com/watch?v=iryYvsWF0R4

Friday, January 16, 2009

Lentini en Kaka


Een kluster sjeiks ging deze week op bezoek in Milaan. Ze kochten wat winkels leeg in de chique winkelstraat Via Monte Napoleone en gaven daarna een cheque van 110 miljoen euro af op het hoofdkantoor van AC Milan. Voor Kaká, van Manchester City. Zelfs Silvio Berlusconi raakte van dat absurde bedrag wat van slag. De clubeigenaar zei te hopen dat Kaká blijft, maar verleende de oliebaronnen wel toestemming om met de speler te gaan praten. Kaká, die in Milaan voetbalt voor 9 miljoen euro per jaar, kan in Engeland 15 miljoen euro gaan verdienen. Het is de sjeiks menens. De Braziliaan, door Milan ooit opgevist voor een schijntje (8 miljoen euro), zei deze week dat van een transfer (nog) geen sprake is en dat hij het liefst oud wil worden bij AC Milan, net zoals aanvoerder Paolo Maldini. Maar in Engeland weten ze het zeker. Kaká komt. Mocht de deal doorgaan, dan wordt de Braziliaan de duurst betaalde speler allertijden. Dat was de Italiaan Gianluigi Lentini ooit ook. De fans van Torino zagen in de frivole buitenspeler met het lange wapperende haar de gedroomde opvolger van Gigi Meroni, zo goed als Lentini voetballen kon. Aan de linkerflank van het veld, slalommend langs tegenstanders, dribbelend tot in het oneindige. Lentini was een buitenspeler van het ouderwetse soort. Onvoorspelbaar, razendsnel aan de bal en met vuur in zijn sloffen. Hij kon passen, crossen én scoren. Als Lentini het op zijn heupen kreeg, dan spaarde je maar. Juve, Milan, Inter en al die anderen. Hij was de lieveling van de últra’s op de Curva Maratona in het Olympisch stadion in Turijn, waar het hart fel klopt voor granata. En voor jongens uit de eigen jeugd. Gigi Lentini kwam ook nog eens uit de regio. Wat wilde je nog meer? Begin jaren negentig wist Lentini de wereld aan zijn voeten. Geadoreerd door fans, vrouwen en kinderen. En door Silvio Berlusconi. De baas van Milan telde tijdens de zomer van 1992 liefst 18 miljard lire neer voor ‘de nieuwe Donadoni ‘ en schoof nog eens 10 miljard zwart onder tafel. 18 miljard lire (ruim 9 miljoen euro) voor een voetballer was ongehoord in die tijd. Men sprak er schande van. De paus ook. ‘Het is een beleding tegen de waardigheid van werk’, aldus het Vaticaan. In Turijn gingen woedende fans de straat op. Ze demonstreerden tegen voorzitter Borsano van Torino, staken de boel in brand, vernielden bushokjes, winkelruiten en elkaar. Tijdens de rellen raakten tientallen tifosi gewond, bovenal Lentini zelf die tijdens een rondje winkelen in de Via Roma bijna werd gelyncht door een hysterische menigte. En toch ging ‘ie. Naar Milaan. Niet dat de transfer hem veel glans en glorie op zou leveren. In het eerste seizoen ging het nog wel. Lentini speelde en scoorde, onder andere uit een omhaal tegen Napoli, maar daarna parkeerde hij zijn knalgele Porsche Carrera 3600 met 2oo kilometer per uur tegen de vangrail op de autostrada van Turijn naar Milaan. De voetballer was volgens het roddelcircuit op de weg terug van een avontuurtje met Rita, de vrouw van Totò Schillaci, toen hij ter hoogte van Villanova d' Asti vreselijk hard uit de bocht vloog. De voetballer brak armen en benen en lag zelfs een paar dagen in coma maar bracht het er levend vanaf. Volgens de doktoren zou het allemaal heus weer goedkomen met Lentini, maar ‘Easy Rider’ haalde nadien nooit meer zijn oude niveau. Als vermogend man maar met een illusie armer, keerde de verloren zoon in het seizoen 1998/99 terug op het oude nest in Turijn. Daar wachtte ik hem ooit op na afloop van de training, samen met een cameraploeg van Sportpaleis de Jong. Tegen zijn zin maar volgens afspraak met de club, vleide ‘s wereld duurste voetballer allertijden (of wat daar nog van over was) zich in blote bast en handdoek op de massagetafel van Wilfried de Jong. Die stelde vragen in zijn beste Italiaans, maar kreeg de hersenpan van Lentini niet gelicht. Het is inmiddels tien jaar geleden dat het interview in Hilversum in de prullenbak werd gekwakt, maar Lentini (in maart 40) voetbalt nog steeds. Samen met Diego Fuser is hij de ster in het elftal van Saviglianese, een provincieclub uit Piemonte. Ver weg van de het grove geld en de glamour van de Serie A heeft Easy Rider zijn voetbalgeluk hervonden. Laat het een wijze les zijn voor Kaká.

Matti

Ik trof K. ‘s ochtends vroeg aan op de marmeren keukenvloer. Volledig knock-out, in een doorschijnend niemendalletje, met haar vlezige billen in de lucht en overal lege flessen wodka om zich heen. Uitgelopen mascara en twee blonde paardenstaartjes in verwelkte toestand bovenop haar hoofd. Tijdens de zomer van 2003 was K. mijn legendarische Finse huisgenote in Florence. Ze was blond, big, beautiful en hield van een flinke borrel. Net zoals de meeste Finnen trouwens. En net als Matti Nykänen, de al even legendarische skischansspringer uit het land van Kerstman en sauna. Hij was misschien niet het slimste jongetje van de klas, maar Matti kon vliegen als de beste. Hoger en verder dan iedereen. Dat zagen de skischansspringscouts ook wel toen ze hem voor het eerst naar beneden zagen zoeven. De pas 9-jarige werd subiet op een regime van drieduizend sprongen per jaar gezet. Omhoog, omlaag, vallen, opstaan en nog een keer. Tien jaar later zaten miljoenen fans aan de buis gekluisterd toen de jongeling zich tijdens de WK van 1982 in Oslo van de grote schans naar beneden stortte. In dichte mist hing Matti hoog in de lucht. De kijkers thuis zagen geen bal maar onderin beeld gaf de teller de hoogste score aan. ‘Het heeft stijl en het springt ver….de naam is Nykänen, de wereldtitel is van Finland!!!’, tetterde de commentator in blinde euforie in zijn micro. Matti Nykänen was in één klap een mythe. Als skischansspringen in Finland religie is, dan was Nykänen de onbetwiste profeet. Tijdens de jaren tachtig won hij 5 Olympische medailles (waarvan 4 keer goud) en werd 9 keer wereldkampioen. Niet dat zijn afdalingen altijd perfect waren, maar Nykänen kon nu eenmaal geweldig afzetten en vliegen. De kenners meenden dat Nykänen’s uitzonderlijke vliegkunst ‘m mede in zijn brede schouders zat. Hij zou zijn bovenlichaam als een soort zeiltje gebruiken. Hoe dan ook reeg Nykänen halverwege de jaren tachtig de successen aaneen. Of ‘ie nou dronken was of niet. Het was in diezelfde periode dat de Fin naast de schans steeds vaker negatief in het nieuws kwam. Vanwege alcoholmisbruik of het molesteren van zijn eerste (van in totaal vijf) echtgenotes. In 1986 werd Nykänen voor het eerst opgepakt in verband met het bietsen van sigaretten en bier uit een kiosk. Het was het begin van het einde. Een stevige drankverslaving zou zijn carrière uiteindelijk doen knakken. In een laatste poging zijn loopbaan te redden stortte Nykänen zich tijdens de WK van 1991 in Val Di Fiemme voor de laatste keer van de grote schans. De Fin werd 50ste, zijn slechtste prestatie ooit. Een wanhopige depressie en verschillende zelfmoordpogingen later, zat de levende legende eind jaren negentig ook financieel aan de grond. Getild door gewiekste zakenmannen en ex-echtgenotes verkocht hij zijn eremetaal en bekers en werd stripdanser in een nachtclub. Hij poseerde naakt voor allerlei pornoblaadjes en trad op als matige vertolker van Finse schlagers. From hero to zero. In 2004 ging de voormalige skispringer in dronken toestand de oom van Mervi Tapola, eega nummer vier, met een mes te lijf. De oom overleefde maar Nykänen werd voor twee jaar in het gevang gegooid. En toch is hij in Finland een held voor altijd. Echt waar. Al was het maar vanwege sommige van zijn bijna Cruyffiaanse uitspraken, maar dan in het Fins natuurlijk. Zoals: ‘Morgen is altijd de toekomst’. En: ‘Bestaan is de beste tijd uit een mensenleven’. Toen hem ooit werd gevraagd waar hij zoal aan denkt bovenop de schans, antwoordde Nykänen in zijn beste Engels: ‘Well, I think about pussy, but I'm up here, so I better go down quickly’. Deze week stuurde Kata vanuit Finland een verlate nieuwjaarswens. Op televisie flitsten mannen op lange latten door de lucht tijdens het traditionele vierschansentoernooi. Waar zou de als brave huisvader bekend staande Wolfgang Loitzl aan hebben gedacht, vlak voor zijn winnende jump? Aan zijn vrouw en kinderen? Aan pussy? Of misschien aan Matti Nykänen?

Thursday, January 08, 2009

Haar

Ik had laatst twee wielrenners op bezoek. Ze kwamen de vuile was afgeven. Zweethemdjes, sokken, windjacks en een paar modieuze onderbroeken van B. Borg en C. Klein. Hun Miele bleek stuk, dus zette ik de mijne aan. Op veertig graden. Daarna dronken we koffie aan de keukentafel. De wielrenners zaten er keurig opgeblonken bij na een middagje hard trainen. Met hippe schoenen van Gucci (‘Maar die van Dior Homme zijn ook heel mooi. Wat draag jij eigenlijk?’), trendy nylon donsjacks en het fris gewassen haar mooi in model. We kwamen over het scheren van lichaamshaar te spreken. Over met het scheermes langs oksels, benen, borst, buik, ballen en God weet wat nog meer. Back, sack, crack zoals de Engelsen zeggen. Geen haar schijnt óók heel trendy te zijn. De jongens legden uit: ‘Het is hygiënischer. Je voelt je schoner na het douchen’. En: ‘Armen zonder haar zien er toch gewoon mooier uit?’ Een zachtroze in plaats van een bruine poeperd blijkbaar ook. Daarom laten steeds meer mensen hun gat bleken, een trend die overwaaide uit de wereld van de porno-industrie. Nou ben ik de conservatiefste niet, maar ik kreeg ineens ontzettende heimwee naar de jaren zeventig toen schaam- en okselhaar nog welig mocht tieren en verlangde terug naar het opkrullende borsthaar van Tom Selleck en naar alle andere mannen met big hair, baard en/of snor. ‘Let it blossom, let it grow’, zong Eric Clapton in de seventies. Het was ver voor de tijd van de metroseksueel David Beckham. Je was van nature kaal en anders niet. Van roze voetbalschoenen had nog nooit iemand gehoord. In Nederland had Barry Hulshoff veel haar. Die kon er zo barbaars uit zien dat het tegenstanders in de spelerstunnel al dun door de broek liep. Kijk, en daar had je dus wat aan. Buiten de landsgrenzen liepen ook beroemde beh(b)aarden rond. Zoals de politiek-geëngageerde Paul Breitner uit Duitsland en de Braziliaan Socrates, die met hun hairdo ook een soort links-politiek statement maakten. Dat deed de Italiaan Paolo Sollier ook, toen hij voor aanvang van een duel tegen Juventus zijn gebalde rechtervuist de lucht in stak, met FIAT-baas Gianni Agnelli hoog en droog op de eretribune, in die tijd hét symbool van rechts en kapitalistisch Italië. In het Olympisch stadion van Rome herhaalde de spits van Perugia dat gebaar en provoceerde daarmee het extreemrechtse deel van de aanhang van SS Lazio. Sollier was halverwege de jaren zeventig behalve voetballer ook student rechten en politieke wetenschappen aan de Universiteit van Perugia. Hij stond bekend als communist. Ze noemden hem Mao, Ho Chi Min of de linkerhand van God. Sollier was aanvallende middenbelder van Perugia dat halverwege de jaren zeventig voor het eerst in de geschiedenis van de club promotie naar de Serie A afdwong. Vooral dankzij een hecht collectief, dankzij spelers die solidair waren aan elkaar. Dat was een mooi socialistisch principe. Het dieprode shirt van Perugia stond hem goed. Zijn lange haar, baard en dito snor trouwens ook. Hij was het type voetballer voor wie uiterlijkheden niet bestonden. Laat staan Gucci en Dolce & Gabbana. ‘Het feit dat je goed tegen een bal kunt trappen en dat je op zondagmiddag anderhalf uur lang voor Superman mag spelen, zegt mij niets. En het wil zeker niet zeggen dat je beter of meer waard bent dan een ander’, aldus Sollier die om die reden weigerde handtekening uit te delen. De rebel was een van de weinige voetballers die voor zijn mening durfde uit te komen, die het stadion gebruikte om in te voetballen en om in opstand te komen tegen de arrogantie van de macht. Hij verhief zijn stem en hoopte op een betere toekomst. Ik hoop voor 2009 op meer mannen zoals Sollier, op de terugkeer van de baard en snor, op mannen met haar op hun ballen. Proost. Op een gezond 2009.

Moord op de EIger


Ik pakte de verrekijker erbij en zocht naar drie zwarte puntjes die zich langzaam voortbewogen richting de top van de Eiger. Glaasje Rivella Light erbij en een bord met rösti voor mijn neus. Er cirkelde een arend hoog in de lucht. Of misschien was het een ander soort roofvogel, op zoek naar een hapje. Een havik of een buizerd. Kon ook. Op de parkeerplaats naast het restaurant werd de ene na de andere groep toeristen uit een bus geladen. Vooral veel Japanners die vanuit het land van de rijzende zon naar de Zwisterse Alpen waren gekomen om een foto te knippen van de drie zwaargewichten Eiger, Jungfrau en Mönch. Het was augustus. De zon scheen fel in de Grindelwaldvallei. Terwijl de rest zich hogerop begaf, genoot ik op een terras van de zon. Ik koester geen fascinatie voor bergen, alhoewel het uitzicht op de noordwand van de Eiger indrukwekkend was. Ik moest aan Clint Eastwood denken, die in de actiefilm The Eiger Sanction (1975) een huurmoordenaar speelt die een bergbeklimmer om zeep moet helpen. Geweldige beelden van een jonge Eastwood, verticaal tegen de Eiger aangeplakt, die met een verbeten grimas op het gelaat jacht maakt op zijn prooi. De Eiger is onder bergbeklimmers legendarisch gelijk Eastwood. De puntige en steile noordwand staat bekend als een van de meest gevaarlijke klims van Europa en wordt ook wel de Moordwand genoemd. Sinds 1935 lieten zestig klimmers op de Eiger het leven. Ze kukelden in het 1828 meter diepe ravijn, werden geraakt door rondvliegende rotsblokken, gleden in spleten, kwamen onder lawines terecht of vroren dood. Dat laatste overkwam de Italiaan Stefano Longhi. Zijn dood is een klassieke whodunnit. Dat zit zo: Tijdens de zomer van 1957 ondernam de jonge Italiaanse alpinist een expeditie naar de top van de Eiger. Zijn maatje Claudio Corti, de spin van Olginate genoemd, was er ook bij. Volle goede moed gingen de twee op pad. De omstandigheden waren ideaal, totdat Longhi een paar honderd meter onder de top uitgleed over een richel en de diepte inschoot. Bungelend aan zijn veiligheidskoord, hing de Italiaan daarna boven de afgrond. En wat Corti ook deed, hij kreeg zijn vriend niet naar boven gehesen. Hij besloot hulp te gaan halen, ondanks de ongeschreven regel onder alpinisten dat je in de bergen alleen de doden alleen achterlaat. ‘Schiet wel op’, schreeuwde Longhi. ‘Ciao! Houd moed’, brulde Conti terug. Dat klonk opgewekt, maar kort daarna sloeg het weer om en werd Conti uitgeschakeld door rondvliegende rotsblokken. Twee Duitse alpinisten vonden Conti uiteindelijk terug. Meer dood dan levend. Op zoek naar hulp, lieten ook zij de twee Italianen achter op de Eiger. De ene in een wapperend tentje, de ander bungelend aan een touw. Claudio Corti zou uiteindelijk als enige gered worden. Voor Longhi kwam de hulp te laat. Zijn levenloze lichaam hing twee jaar lang boven het ravijn, voordat Zwisterse hulpverleners het stoffelijk overschot uiteindelijk wisten te bergen. Van de Duiters Franz Mayer en Gunther Nothdurft ontbrak jarenlang ieder spoor. De Italiaanse overlevende, tachtig inmiddels, weigerde lange tijd over zijn dramatische avontuur te praten maar publiceerde onlangs een boek. In ‘Gevange van de Eiger’ probeert de alpinist na ruim vijftig jaar af te rekenen met alle vooroordelen die tegen hem bestaan. De Italiaan werd een persona non grata binnen de wereld van het alpinisme. Door Heinrich Harrer werd hij zelfs als moordenaar afgeschilderd. Volgens de man die in 1938 als eerste de top van de Eiger bereikte, had de klimmer zijn collega nooit alleen achter mogen laten. Dat was volgens Harrer een lafhartige daad van Corti om zichzelf in veiligheid te kunnen brengen. En wie weet had hij de twee Duitsers ook wel om zeep geholpen, om in hun tentje te kunnen schuilen, beweerde Harrer. Corti heeft de beschuldigingen altijd ontkend en alhoewel zijn gelijk gedeeltelijk werd bewezen toen de bevroren lichamen van de Duitsers uiteindelijk werden teruggevonden onder een lading sneeuw, blijven de vooroordelen bestaan. Corti is een gevange van zijn eigen verleden. Hij zal ermee moeten leren leven. Hij leeft nog. Longhi al lang niet meer.

Friday, December 12, 2008

Luxe zaad


De Italian stallion is sindskort weer veilig terug in Italië, na een vruchtbaar avontuur in Zweden. In Vigone, een dorpje ten zuiden van Turijn, mag de dekhengst nu even tot rust komen. Ver weg van verleidelijk hinnikende dames en op een bedje van vers stro. Drie bodyguards houden permanent de wacht en ook de carabinieri doen regelmatig een rondje. De viervoeter staat in een soort geblindeerde cel en wordt door vijf beveiligingscamera’s in de gaten gehouden. Het is nog erger dan de mixed-zone na afloop van een partijtje in de Champions League: zonder een accreditatie kom je niet in de buurt van zijn stal. Men vreest voor een ontvoering. Niet zo verwonderlijk. Varenne is de succesvolste draver allertijden. Tussen 1998 en 2002 won de Italiaanse hengst 51 Grote Prijzen. Hij verpulverde tijdens zijn carrière het ene na het andere baan- en wereldrecord en liep in totaal ruim zes miljoen euro aan prijzengeld bij elkaar. De vraag naar zijn nazaten is groot. Een buisje sperma van de gepensioneerde kampioen kost vijftienduizend euro. Kwestie van vraag en aanbod. De hengst komt gemiddeld tweehonderd keer per jaar, dus tel maar uit je winst. Allicht dat er een stel boeven achter het zaad van Varenne aan zit. In Italië zijn ze dol op de draver, die liefkozend Il Capitano (de aanvoerder) wordt genoemd. Het paard heeft er de status van een superster. Nog altijd. Hij is gelijk wielrenner Fausto Coppi de Campionissimo, maar dan een op vier benen. Varenne heeft een eigen website, fanclubs, er werd een lied aan hem opgedragen, twee boeken over hem geschreven en hij weet zelfs mensenkinderen naar zich vernoemd. Tijdens zijn gloriedagen reisden de tifosi stad en land af om de atleet in actie te zien, zoals tijdens de Prix d’Amerique van 2002 in Parijs. Met de wind op kop schakelde Varenne toen een tandje bij alsof het niets was - trak-trak-trak - en won voor de tweede opeenvolgende keer de meest prestigieuze koers van Europa. In Rome werd de hengst daarna als een groot kampioen onthaald. Wat volgde was een zegetocht door de stad en een rondje over de sintelbaan van het stadio Olimpico, met tachtigduizend fans op de tribune. Varenne nam in 2002 afscheid, op het hoogtepunt van zijn roem. Toen hij het jaar erop bezig was met een afscheidstoernee huilden de fans langs de renbaan tranen met tuiten. Echt waar. En daar hadden we het dan over, tijdens het kringgesprek op maandag, toen ik tijdens de zomer van 2003 een talencursus volgde in Florence. Dan legde de lerares uit wat het paard voor de Italianse sportfans had betekend, ze sprak over zijn soepele tred en vertelde over de invloed van Iina Rastas, het Finse meisje dat zijn vaste verzorgster was. Over de blondine werd gezegd dat ze de verloofde van Varenne was. Ze zou ‘s nachts zelfs bij hem slapen in de stal. De passie van IIna voor Varenne kende geen grenzen. ‘Tijdens de periode dat ik voor hem zorgde, leefde ik inderdaad alleen maar voor hem. Ik kende Varenne zo goed dat ik in bijna iedere situatie zijn reactie kon voorspellen’, schreef de Finse deze week toen ik contact met haar zocht via Facebook, een soort vriendennetwerk op internet. Alhoewel het stel inmiddels gescheiden leeft, heeft Rastas nog steeds contact met haar ex. Tijdens verjaardagsfeestjes bijvoorbeeld, die door de fans van de inmiddels 13-jarige Varenne nog elk jaar worden georganiseerd en waarvoor Iina steevast een uitnodiging ontvangt. ‘In het begin was dat emotioneel, maar inmiddels denk ik minder aan hem’, aldus Rastas in haar mail. De Finse is zelf inmiddels moeder van dochter Emmi van negen maanden, maar zit nog steeds in de paardenbusiness. In de stal achter haar huis heeft ze twee nazaten van Varenne staan van wie ze hoopt dat ze ooit in de voetsporen van hun beroemde vader zullen treden. ‘Een ding is zeker: zijn records zullen op een dag verbeterd worden, maar voor mij blijft Varenne de greatest of all time. Best regards, Iina Rastas. P.S. Me sleeping in his stable, though, is an urban legend’.

Deze column werd eerder gepubliceerd in AD Sportwereld. Renate Verhoofstad schrijft elke vrijdag een bijdrage. Zie ook www.sportwereld.nl/columnisten

Luciano Re Cecconi


Er werd deze week een juwelier overhoop geschoten in Rome. Francesco Lenzi werd door drie overvallers gedwongen de geheime code van de kluis prijs te geven en kreeg daarna een kogel door zijn kop. Het lijk van de juwelier werd gevonden in een villa in een buitenwijk van Rome; naakt, verminkt, met handen en voeten gebonden, in een enorme plas bloed. De bandieten gingen er vandoor met achthonderdduizend euro aan dure Rolexen en Cartiers. Ik moest denken aan het droeve lot van Luciano Re Cecconi, mythische middenvelder van Lazio Roma tijdens de jaren zeventig. Ze noemden hem Cecco-Netzer omdat de voetballer zowel qua spel als uiterlijk wel wat van de Duitser Günther Netzer weg had. Of Volkswagen, navenant zijn uithoudingsvermogen en betrouwbaarheid. Of l’angelo biondo (blonde engel) vanwege Cecconi’s goudblonde lokken, die tijdens rushes in het Olimpico zo lekker konden opflakkeren in de wind. Hij was een veelscorende middenvelder die techniek aan inzet koppelde, zo eentje met gekromde benen, die kon uitdelen én incasseren. Niet gemeen, wel hard. Ik typte zijn naam deze week in op You Tube en zag Re Cecconi in zwartwitbeeld voorbij dribbelen. Passen op spits Giorgio Chinaglia en zelf scoren. Zoals in de laatste minuut tegen AC Milan en een hele belangrijke tegen Juventus. Of in eigen goal, zoals tijdens zijn onfortuinlijke debuutwedstrijd voor de nationale ploeg tegen Joegoslavië. Cecco is in Rome een legende omdat hij in 1974 met Lazio het scudetto veroverde, de eerste landstitel sinds de oprichting van de Romeinse club in 1900. Re Cecconi was één van de gangmakers binnen een ploeg die bekend stond als een stel fascisten bij elkaar. Cowboys die akkefietjes tijdens de training het liefst oplosten met een flinke oplawaai, maar die binnen de lijnen een hecht collectief vormden. Sommige spelers waren zo gek als een deur. Die zaten met holsters om het bovenlijf geknoopt in de kleedkamer. Voor thuisduels kwam de ploeg vaak in trainingskamp bijeen in een hotel in de periferie van Rome. Uit verveling schoten de spelers vanuit hun hotelkamer op lantaarnpalen, vogels en vuilnisbakken. Re Cecconi hield ook wel van een dolletje, maar was een van de weinige spelers die geen wapen bij zich droeg. Hij hield wel van parachutespringen, snelle auto’s en motoren en stond bekend als iemand die de grens graag opzocht. Dat zou blijken op 18 januari 1977, op een ijskoude namiddag in Rome. Re Cecconi, op dat moment geblesseerd aan zijn knie, werd er door een vriend op uitgestuurd om een pakketje op te pikken bij een juwelier om de hoek. Ploegmaat Pietro Ghedin was er ook bij. Tegen zessen stapten de twee voetballers de juwelierszaak van Bruno Tabocchini binnen en zetten voor de gein een overval in scène. Re Cecconi hield zijn gezicht achter een bontkraag verscholen en greep met zijn rechterhand naar een blaffer in de binnenzak. Zogenaamd. Tegelijkertijd schreeuwde hij: ‘Halt, dit is een overval’. De juwelier achter de toonbank schrok zich een hoedje. Hij had in de blonde bandiet de voetballer niet herkend. In een flits schoten duizend dingen door zijn hoofd. Bruno Tabocchini was al twee keer eerder overvallen dat jaar. Hij dacht aan de zaak, aan zijn familie en besloot te kiezen voor zichzelf. Zonder aarzelen gristte hij vanonder de til een Walther van het kaliber 7.65 tevoorschijn, richtte die op Luciano Re Cecconi en lostte een schot. Pang! De voetballer werd vol in de borst geraakt en zakte als een zoutzak ineen. Pietro Ghedin stond als aan de grond genageld. Wat gebeurde hier? Dit was net als in de film. Luciano Re Cecconi bleek niet meer te redden. Hij overleed een half uur later buiten op de stoep. De voetballer werd 29 jaar oud. ‘Het was een grap, het was alleen maar een grap’, waren zijn laatste woorden. De fans van Lazio zijn de grappenmaker na al die jaren nog niet vergeten. Deze week werd zijn zestigste verjaardag herdacht.

Deze column werd eerder gepubliceerd in AD Sportwereld. Renate Verhoofstad schrijft elke vrijdag een bijdrage. Zie ook www.sportwereld.nl/columnisten

Cassanate

Als de stoom Danko Lazovic nog eens uit de oren komt, kan de PSV’er beter een voorbeeld nemen aan Antonio Cassano. Dat klinkt gek. De Italiaan heeft minstens zo’n kort lontje als de Serviër en had Huub Stevens (én zijn moeder) in een vergelijkbare situatie vermoedelijk ook voor pussy uitgemaakt, of nog erger, maar Cassano doet dat sinds dit seizoen heel gewiekst met de hand voor de mond. Het is een gek gezicht, maar de zelfcensuur werkt. Zelfs liplezers kunnen de verwensingen van Anto’ niet langer vertalen. De George Best van Bari was mede daarom nog niet in opspraak dit seizoen. Hij was wel positief in het nieuws. De comeback kid is eindelijk weer op gewicht, komt (bijna altijd) op tijd voor de training, is aanvoerder van Sampdoria en heeft serieuze verkering met een meisje dat aan waterpolo doet en die hem op het rechte pad houdt. Cassano laat zijn voeten weer spreken. Het werd tijd. In Italië noemen ze hem een fuoriclasse, een speler van de buitencategorie. In potentie is Cassano dat ook, maar de spelmaker zat zijn eigen talent vaak in de weg. Hij is een heethoofd op z’n Italiaans, zo een die onmogelijk tot tien kan tellen. En nog trots ook. O wee als een trainer hem in het verleden op de bank durfde te zetten. Dan sloegen de stoppen door. Dan maakte Cassano zich zonder pardon uit de voeten, in één van zijn vele Ferrari’s of Mercedessen. Dan bekeek hij het duel net zo lief thuis voor de buis. Met mama Giovanna naast hem op de bank en een schaaltje met Napolitaanse panzarotti op tafel, net als vroeger. Cassanate is het woord dat Fabio Capello verzon om de streken van de weerbarstige voetballer te omschrijven. De toenmalige trainer van AS Roma werd in een volle kleedkamer ooit voor stuk stront uitgemaakt. ‘Nog minder waard dan het geld uit Monopoly’. Ook Gabriel Batistuta heeft het geweten. Toen de Argentijn het waagde om voor te dringen tijdens het bestellen van een caffè macchiato, peuterde Cassano opzichtig in zijn neus en roerde daarna met zijn vinger door de koffie van Batigol. ‘Zo, en nu wil ik wel eens zien of je ‘m nog opdrinkt’, zei de nieuwkomer tegen de ouderling. Cassano won. De lijst met anecdotes is oneindig. Cassano lepelt ze allemaal op in zijn deze week verschenen autobiografie. Hij neemt geen blad voor de mond en beledigt vriend en vijand. Vermakelijk zijn de verhalen over avondjes uit met oud-ploeggenoot Francesco Totti met wie hij vaak op- en neer scheurde naar Milaan. In tweeëneenhalf uur. Vanuit Rome! Alhoewel Cassano sinds Carolina celibatair zegt te leven, beweert de Casanova tot nu toe met zo’n zes- á zevenhonderd vrouwen het bed te hebben gedeeld. Jazeker, ook de dag voor de wedstrijd. Met een fotomodel uit Nederland bijvoorbeeld, met wie hij de liefde bedreef in de kleedkamer van Trigoria, het trainingscentrum van AS Roma, totdat de massagetafel het begaf. Niemand die er wat van durfde te zeggen. Zolang Antonio maar scoorde. In Madrid was het nog makkelijker. Daar betaalde hij de piccolo van het hotel vijftig euro om meisjes via de brandtrap naar binnen te kunnen smokkelen tijdens trainingskampen van zijn club Real. Het was makkelijk scoren in bed, wat minder daarbuiten. Cassano botste zoals zo vaak tegen het gezag. Het hoort bij het karakter van een jongetje dat opgroeide in Bari Vecchia, onder moeilijke omstandigheden en zonder vader. Antonio Cassano leerde de kunst van het voetballen op straat. Elke dag pingelen in blote bast tussen de marktkramen op de Piazza del Ferrarese en als de politie hem weer eens wegstuurde, smeet hij met eieren en rotte tomaten. Hij was van de duvel niet bang en wilde altijd winnen. Nog steeds. Het eeuwige talent is inmiddels 26 jaar. Wie weet wordt de belofte alsnog ingelost.

Parola

Ik volg een bieding op Ebay. Inzet zijn ‘140 figurine calciatori PANINI tutte diverse’ uit het seizoen 1973/1974. Ik ben benieuwd naar de helden uit mijn geboortejaar. Het huidige bod staat op 2,50 euro maar dat bedrag gaat zeker nog oplopen. Ik weet dat ik geduld moet hebben. Zo lang mogelijk wachten met inzetten en dan hopelijk over alles en iedereen heen. Ik ben dol op Ebay. En op Panini. Overal slingeren losse plaatjes rond in mijn flat. Spelers allerlei. Michel van de Korput, Luciano Re Cecconi, René van der Kerkhof, Juan Alberto Schiaffino, Mario Corso, Willem van Hanegem e.a. in de keukelade met een elastiekje eromheen. De zwart-witafbeelding van Gigi Riva mag mee in de portemonnee. Het boek van het WK van 1990 heb ik bijna compleet. Van het WK van 1994 herinner ik me vooral de avonden buiten op straat, plaatjes ruilen met jongetjes uit de buurt. Ik kwam verdomme maar niet van Joseph-Antoine Bell af. De doelman van Kameroen moet ik wel vijf keer dubbel hebben gehad. Uiteindelijk heb ik dat opgevat als een soort gebaar van de grote voetbalgod. Hoezo Romario of Baggio? Bell was de ware plaatjesheld van dat WK. Ik plakte de doelman op de zijkant van de koelkast, naast de telefoon en Bell nummer vier en vijf hingen boven de deur van de woonkamer. Om de spelers uit de Serie A wat beter te leren kennen, bestelde ik vier jaar geleden een voetbalplaatjesboek bij de kiosk van Giampaolo Cenni op de hoek van de Via del’Angolo en de Via Giuseppe Verdi in Florence. Of het om een kadootje ging, vroeg Cenni. ‘Nee hoor’, antwoordde ik. ‘En doe er gelijk voor twintig euro aan plaatjes bij’. Ik heb die middag zitten plakken als een gek. In Lucca staan sinds de recente verhuizing alle heruitgaves van de Calciatori voetbalplaatjesboeken vanaf 1960 in de boekenkast. Je kon de serie ooit sparen via de Gazzetta dello Sport. Elke week een compleet boek voor slechts 9,90 euro, plus 1 euro voor de aankoop van de Gazzetta zelf. Het was een geweldige marketingtruc en leuk voor de fan bovendien, maar de lol van het sparen van losse plaatjes ontbrak. En uiteindelijk gaat het toch daarom. Om de aankoop van een zakje van vijf, met op de voorkant de beroemde afbeelding van de voetballer zwevend in de lucht, in een soort bevroren toestand, met het lichaam in perfecte balans, uithalend naar de bal met rechts. De man in de lucht is Carlo Parola, verdediger van Juventus tijdens de jaren vijftig. Ze herinneren zich hem in Italië als een uitstekend verdedediger, maar Parola is vooral Mister Rovesciata (Mister Omhaal). De voetballer werd na zijn carrière trainer. Ook van Fabio Capello, die over Parola zei: ‘Op zijn vijftigste slaagde hij er nog in om uit een omhaal de lat te raken’. De mythische afbeelding van een molenwiekende Parola werd geknipt op 15 januari 1950, tijdens de wedstrijd Fiorentina tegen Juventus. Fotograaf Corrado Banchi lag langs de lijn op de grond toen een verdediger van Fiorentina een lange bal afvuurde richting het doel van Juventus. Egisto Pandolfini van Fiorentina schoot weg als een duveltje uit een doosje. Daar kwam de bal aan en daar ging Carlo Parola, met zijn lange lijf de lucht in, omhalend naar de bal. En fotograaf Banchi maar knippen. ‘Ik herinner me de verbazing van het publiek, dat minutenlang stil bleef. En daarna een orkaan van applaus, natuurlijk, zoiets hadden we nog nooit gezien’, aldus een ooggetuige. De beroemde omhaal van Parola zou uitgroeien tot hét beeldmerk van het al even beroemde voetbalplaatjesbedrijf Panini uit Modena. De voetballer is inmiddels dood, hij overleed in maart 2000, maar de omhaal van Parola is onsterfelijk. De bieding op Ebay loopt af op 27 november, om 21:18:42 CET. Ik hoop dat ik ga winnen.