Friday, January 23, 2009

Bandiera tot in de dood


Echte clubmannen worden in Italië bandiera’s genoemd. Paolo Maldini (AC Milan) is er zo een, Alessandro Del Piero (Juventus) natuurlijk en Francesco Totti (AS Roma) ook. Vroeger had je Gigi Riva, een soort Kakà avant la lettre die meerdere malen nee zei tegen de bergen met geld van Milan en Juventus omdat hij liever bij provincieclubje Cagliari bleef. Voor minder pecunia, maar meer geluk. ‘Het is in Sardinië zo lekker scheuren langs de kust, met één hand aan het stuur en in de andere een sigaret, terwijl de zon aan de horizon in zee zakt. Kan in Turijn niet’, vertelde de huidige teammanager van de squadra azzurra me ooit tijdens een trainingskamp van de nationale ploeg. Vaak groeien boegbeelden op in de eigen jeugd, zijn ze van onbesproken gedrag en vanwege hun trouw de absolute afgoden van de curva. Een wat vergeten held is Agostino Di Bartolomei, aanvoerder van AS Roma toen Totti nog in de luiers zat. Di Bartolomei leerde voetballen in de straten van Tor Marancia, in één van de armste volksbuurten van Rome, waar gezinnen met soms meer dan tien kinderen werden opeengepakt in piepkleine appartementen, aangevreten door de betonrot. In die misère zocht een piepjonge Di Bartolomei troost bij de bal. Het straatschoffie maakte furore in de jeugd van AS Roma en zou later uitgroeien tot een legendarische libero, die met de neus in de wind en de blik op oneindig zijn manschappen aanvoeren kon. Di Bartolomei was een tikkeltje aan de trage kant, maar lostte dat gebrek op met inzicht. Met mooie lange ballen op links en op rechts kon hij het spel dirigeren dat het een lieve lust was en lepelde geregeld een vrije trap of een penalty erin. En dan zongen de fans: ‘Ohooo Agostino. Ago, Ago, Ago…Agostino gol!’ Di Bartolomei was een kei van een voetballer, bovenal een heer. Een goedgemanierde jongeman met een melancholieke blik in de ogen en een strakke scheiding in het gitzwarte haar. Ze noemden hem Il capitano buono (de goede aanvoerder). Ruzies met de scheidsrechter ging hij het liefst uit de weg, maar mocht hij eens verhaal gaan halen dan gebeurde dat met de handen op de rug. Het was de pacifist in Di Bartolomei die niet agressief wilde overkomen. Hij wilde een consigliere (raadgever) zijn. Met Di Bartolomei als aanvoerder in een team vol vedetten en met de Braziliaan Falcão en Pietro Vierchowod voor zich, beleefde AS Roma begin jaren tachtig gouden jaren, met het scudetto in 1983 als absoluut hoogtepunt. Het was voor Di Bartolomei een jongensdroom die in vervulling ging. Het jaar erop ging het mis. Tijdens de finale van de Champions League tegen Liverpool werd in het eigen Olympisch stadion nota bene, verloren na het nemen van penalty’s. Het bleek achteraf zijn laatste wedstrijd voor AS Roma te zijn geweest. Die zomer werd de Romeinse zoon tegen zijn zin verkocht aan AC Milan omdat Roma de clubkas wilde spekken. De voetballer vatte die actie op als hoogverraad. Hij zou de klap nimmer te boven komen. Na een paar jaar in dienst van Milan, Cesena en Salernitana, zei Di Bartolomei in 199o vaarwel tegen het voetbal en trok zich terug in zijn villa in San Marco di Castellabate. De voormalige voetballer hoopte op een baantje als jeugdtrainer bij AS Roma, maar het telefoontje kwam nooit. Toen ook het opzetten van een voetbalschool daarna mislukte, werd de ellende Di Bartolomei teveel. Op 30 mei 1994, precies tien jaar na de verloren finale in de Champions League, pakte il capitano buono zijn Smith & Wesson erbij en joeg zich op het terras van zijn villa een kogel door het hart. ‘Ik voel me opgesloten in een donker hol’, schreef hij in zijn afscheidsbrief. Na zijn dood werd er in Rome een straat naar hem vernoemd en in zijn woonplaats draagt de voetbalschool alsnog zijn naam. Voor Di Bartolomei kwam het eerbetoon te laat. Voor de fans van AS Roma blijft hij een bandiera, ook na zijn dood. ‘Ze hebben je je club afgepakt, maar niet je curva’, aldus de tekst op een spandoek.Het mooiste Italiaanse voetballied ooit geschreven, la leva calcistica della classe '68, werd volgens sommigen aan Di Bartolomei opgedragen. Klik op de onderstaande link. Om weemoedig van te worden.

Deze column werd eerder gepubliceerd in het AD. De auteur van pastasport schrijft elke vrijdag over sport in Italië voor AD Sportwereld. www.sportwereld.nl

http://www.youtube.com/watch?v=iryYvsWF0R4

Friday, January 16, 2009

Lentini en Kaka


Een kluster sjeiks ging deze week op bezoek in Milaan. Ze kochten wat winkels leeg in de chique winkelstraat Via Monte Napoleone en gaven daarna een cheque van 110 miljoen euro af op het hoofdkantoor van AC Milan. Voor Kaká, van Manchester City. Zelfs Silvio Berlusconi raakte van dat absurde bedrag wat van slag. De clubeigenaar zei te hopen dat Kaká blijft, maar verleende de oliebaronnen wel toestemming om met de speler te gaan praten. Kaká, die in Milaan voetbalt voor 9 miljoen euro per jaar, kan in Engeland 15 miljoen euro gaan verdienen. Het is de sjeiks menens. De Braziliaan, door Milan ooit opgevist voor een schijntje (8 miljoen euro), zei deze week dat van een transfer (nog) geen sprake is en dat hij het liefst oud wil worden bij AC Milan, net zoals aanvoerder Paolo Maldini. Maar in Engeland weten ze het zeker. Kaká komt. Mocht de deal doorgaan, dan wordt de Braziliaan de duurst betaalde speler allertijden. Dat was de Italiaan Gianluigi Lentini ooit ook. De fans van Torino zagen in de frivole buitenspeler met het lange wapperende haar de gedroomde opvolger van Gigi Meroni, zo goed als Lentini voetballen kon. Aan de linkerflank van het veld, slalommend langs tegenstanders, dribbelend tot in het oneindige. Lentini was een buitenspeler van het ouderwetse soort. Onvoorspelbaar, razendsnel aan de bal en met vuur in zijn sloffen. Hij kon passen, crossen én scoren. Als Lentini het op zijn heupen kreeg, dan spaarde je maar. Juve, Milan, Inter en al die anderen. Hij was de lieveling van de últra’s op de Curva Maratona in het Olympisch stadion in Turijn, waar het hart fel klopt voor granata. En voor jongens uit de eigen jeugd. Gigi Lentini kwam ook nog eens uit de regio. Wat wilde je nog meer? Begin jaren negentig wist Lentini de wereld aan zijn voeten. Geadoreerd door fans, vrouwen en kinderen. En door Silvio Berlusconi. De baas van Milan telde tijdens de zomer van 1992 liefst 18 miljard lire neer voor ‘de nieuwe Donadoni ‘ en schoof nog eens 10 miljard zwart onder tafel. 18 miljard lire (ruim 9 miljoen euro) voor een voetballer was ongehoord in die tijd. Men sprak er schande van. De paus ook. ‘Het is een beleding tegen de waardigheid van werk’, aldus het Vaticaan. In Turijn gingen woedende fans de straat op. Ze demonstreerden tegen voorzitter Borsano van Torino, staken de boel in brand, vernielden bushokjes, winkelruiten en elkaar. Tijdens de rellen raakten tientallen tifosi gewond, bovenal Lentini zelf die tijdens een rondje winkelen in de Via Roma bijna werd gelyncht door een hysterische menigte. En toch ging ‘ie. Naar Milaan. Niet dat de transfer hem veel glans en glorie op zou leveren. In het eerste seizoen ging het nog wel. Lentini speelde en scoorde, onder andere uit een omhaal tegen Napoli, maar daarna parkeerde hij zijn knalgele Porsche Carrera 3600 met 2oo kilometer per uur tegen de vangrail op de autostrada van Turijn naar Milaan. De voetballer was volgens het roddelcircuit op de weg terug van een avontuurtje met Rita, de vrouw van Totò Schillaci, toen hij ter hoogte van Villanova d' Asti vreselijk hard uit de bocht vloog. De voetballer brak armen en benen en lag zelfs een paar dagen in coma maar bracht het er levend vanaf. Volgens de doktoren zou het allemaal heus weer goedkomen met Lentini, maar ‘Easy Rider’ haalde nadien nooit meer zijn oude niveau. Als vermogend man maar met een illusie armer, keerde de verloren zoon in het seizoen 1998/99 terug op het oude nest in Turijn. Daar wachtte ik hem ooit op na afloop van de training, samen met een cameraploeg van Sportpaleis de Jong. Tegen zijn zin maar volgens afspraak met de club, vleide ‘s wereld duurste voetballer allertijden (of wat daar nog van over was) zich in blote bast en handdoek op de massagetafel van Wilfried de Jong. Die stelde vragen in zijn beste Italiaans, maar kreeg de hersenpan van Lentini niet gelicht. Het is inmiddels tien jaar geleden dat het interview in Hilversum in de prullenbak werd gekwakt, maar Lentini (in maart 40) voetbalt nog steeds. Samen met Diego Fuser is hij de ster in het elftal van Saviglianese, een provincieclub uit Piemonte. Ver weg van de het grove geld en de glamour van de Serie A heeft Easy Rider zijn voetbalgeluk hervonden. Laat het een wijze les zijn voor Kaká.

Matti

Ik trof K. ‘s ochtends vroeg aan op de marmeren keukenvloer. Volledig knock-out, in een doorschijnend niemendalletje, met haar vlezige billen in de lucht en overal lege flessen wodka om zich heen. Uitgelopen mascara en twee blonde paardenstaartjes in verwelkte toestand bovenop haar hoofd. Tijdens de zomer van 2003 was K. mijn legendarische Finse huisgenote in Florence. Ze was blond, big, beautiful en hield van een flinke borrel. Net zoals de meeste Finnen trouwens. En net als Matti Nykänen, de al even legendarische skischansspringer uit het land van Kerstman en sauna. Hij was misschien niet het slimste jongetje van de klas, maar Matti kon vliegen als de beste. Hoger en verder dan iedereen. Dat zagen de skischansspringscouts ook wel toen ze hem voor het eerst naar beneden zagen zoeven. De pas 9-jarige werd subiet op een regime van drieduizend sprongen per jaar gezet. Omhoog, omlaag, vallen, opstaan en nog een keer. Tien jaar later zaten miljoenen fans aan de buis gekluisterd toen de jongeling zich tijdens de WK van 1982 in Oslo van de grote schans naar beneden stortte. In dichte mist hing Matti hoog in de lucht. De kijkers thuis zagen geen bal maar onderin beeld gaf de teller de hoogste score aan. ‘Het heeft stijl en het springt ver….de naam is Nykänen, de wereldtitel is van Finland!!!’, tetterde de commentator in blinde euforie in zijn micro. Matti Nykänen was in één klap een mythe. Als skischansspringen in Finland religie is, dan was Nykänen de onbetwiste profeet. Tijdens de jaren tachtig won hij 5 Olympische medailles (waarvan 4 keer goud) en werd 9 keer wereldkampioen. Niet dat zijn afdalingen altijd perfect waren, maar Nykänen kon nu eenmaal geweldig afzetten en vliegen. De kenners meenden dat Nykänen’s uitzonderlijke vliegkunst ‘m mede in zijn brede schouders zat. Hij zou zijn bovenlichaam als een soort zeiltje gebruiken. Hoe dan ook reeg Nykänen halverwege de jaren tachtig de successen aaneen. Of ‘ie nou dronken was of niet. Het was in diezelfde periode dat de Fin naast de schans steeds vaker negatief in het nieuws kwam. Vanwege alcoholmisbruik of het molesteren van zijn eerste (van in totaal vijf) echtgenotes. In 1986 werd Nykänen voor het eerst opgepakt in verband met het bietsen van sigaretten en bier uit een kiosk. Het was het begin van het einde. Een stevige drankverslaving zou zijn carrière uiteindelijk doen knakken. In een laatste poging zijn loopbaan te redden stortte Nykänen zich tijdens de WK van 1991 in Val Di Fiemme voor de laatste keer van de grote schans. De Fin werd 50ste, zijn slechtste prestatie ooit. Een wanhopige depressie en verschillende zelfmoordpogingen later, zat de levende legende eind jaren negentig ook financieel aan de grond. Getild door gewiekste zakenmannen en ex-echtgenotes verkocht hij zijn eremetaal en bekers en werd stripdanser in een nachtclub. Hij poseerde naakt voor allerlei pornoblaadjes en trad op als matige vertolker van Finse schlagers. From hero to zero. In 2004 ging de voormalige skispringer in dronken toestand de oom van Mervi Tapola, eega nummer vier, met een mes te lijf. De oom overleefde maar Nykänen werd voor twee jaar in het gevang gegooid. En toch is hij in Finland een held voor altijd. Echt waar. Al was het maar vanwege sommige van zijn bijna Cruyffiaanse uitspraken, maar dan in het Fins natuurlijk. Zoals: ‘Morgen is altijd de toekomst’. En: ‘Bestaan is de beste tijd uit een mensenleven’. Toen hem ooit werd gevraagd waar hij zoal aan denkt bovenop de schans, antwoordde Nykänen in zijn beste Engels: ‘Well, I think about pussy, but I'm up here, so I better go down quickly’. Deze week stuurde Kata vanuit Finland een verlate nieuwjaarswens. Op televisie flitsten mannen op lange latten door de lucht tijdens het traditionele vierschansentoernooi. Waar zou de als brave huisvader bekend staande Wolfgang Loitzl aan hebben gedacht, vlak voor zijn winnende jump? Aan zijn vrouw en kinderen? Aan pussy? Of misschien aan Matti Nykänen?

Thursday, January 08, 2009

Haar

Ik had laatst twee wielrenners op bezoek. Ze kwamen de vuile was afgeven. Zweethemdjes, sokken, windjacks en een paar modieuze onderbroeken van B. Borg en C. Klein. Hun Miele bleek stuk, dus zette ik de mijne aan. Op veertig graden. Daarna dronken we koffie aan de keukentafel. De wielrenners zaten er keurig opgeblonken bij na een middagje hard trainen. Met hippe schoenen van Gucci (‘Maar die van Dior Homme zijn ook heel mooi. Wat draag jij eigenlijk?’), trendy nylon donsjacks en het fris gewassen haar mooi in model. We kwamen over het scheren van lichaamshaar te spreken. Over met het scheermes langs oksels, benen, borst, buik, ballen en God weet wat nog meer. Back, sack, crack zoals de Engelsen zeggen. Geen haar schijnt óók heel trendy te zijn. De jongens legden uit: ‘Het is hygiënischer. Je voelt je schoner na het douchen’. En: ‘Armen zonder haar zien er toch gewoon mooier uit?’ Een zachtroze in plaats van een bruine poeperd blijkbaar ook. Daarom laten steeds meer mensen hun gat bleken, een trend die overwaaide uit de wereld van de porno-industrie. Nou ben ik de conservatiefste niet, maar ik kreeg ineens ontzettende heimwee naar de jaren zeventig toen schaam- en okselhaar nog welig mocht tieren en verlangde terug naar het opkrullende borsthaar van Tom Selleck en naar alle andere mannen met big hair, baard en/of snor. ‘Let it blossom, let it grow’, zong Eric Clapton in de seventies. Het was ver voor de tijd van de metroseksueel David Beckham. Je was van nature kaal en anders niet. Van roze voetbalschoenen had nog nooit iemand gehoord. In Nederland had Barry Hulshoff veel haar. Die kon er zo barbaars uit zien dat het tegenstanders in de spelerstunnel al dun door de broek liep. Kijk, en daar had je dus wat aan. Buiten de landsgrenzen liepen ook beroemde beh(b)aarden rond. Zoals de politiek-geëngageerde Paul Breitner uit Duitsland en de Braziliaan Socrates, die met hun hairdo ook een soort links-politiek statement maakten. Dat deed de Italiaan Paolo Sollier ook, toen hij voor aanvang van een duel tegen Juventus zijn gebalde rechtervuist de lucht in stak, met FIAT-baas Gianni Agnelli hoog en droog op de eretribune, in die tijd hét symbool van rechts en kapitalistisch Italië. In het Olympisch stadion van Rome herhaalde de spits van Perugia dat gebaar en provoceerde daarmee het extreemrechtse deel van de aanhang van SS Lazio. Sollier was halverwege de jaren zeventig behalve voetballer ook student rechten en politieke wetenschappen aan de Universiteit van Perugia. Hij stond bekend als communist. Ze noemden hem Mao, Ho Chi Min of de linkerhand van God. Sollier was aanvallende middenbelder van Perugia dat halverwege de jaren zeventig voor het eerst in de geschiedenis van de club promotie naar de Serie A afdwong. Vooral dankzij een hecht collectief, dankzij spelers die solidair waren aan elkaar. Dat was een mooi socialistisch principe. Het dieprode shirt van Perugia stond hem goed. Zijn lange haar, baard en dito snor trouwens ook. Hij was het type voetballer voor wie uiterlijkheden niet bestonden. Laat staan Gucci en Dolce & Gabbana. ‘Het feit dat je goed tegen een bal kunt trappen en dat je op zondagmiddag anderhalf uur lang voor Superman mag spelen, zegt mij niets. En het wil zeker niet zeggen dat je beter of meer waard bent dan een ander’, aldus Sollier die om die reden weigerde handtekening uit te delen. De rebel was een van de weinige voetballers die voor zijn mening durfde uit te komen, die het stadion gebruikte om in te voetballen en om in opstand te komen tegen de arrogantie van de macht. Hij verhief zijn stem en hoopte op een betere toekomst. Ik hoop voor 2009 op meer mannen zoals Sollier, op de terugkeer van de baard en snor, op mannen met haar op hun ballen. Proost. Op een gezond 2009.

Moord op de EIger


Ik pakte de verrekijker erbij en zocht naar drie zwarte puntjes die zich langzaam voortbewogen richting de top van de Eiger. Glaasje Rivella Light erbij en een bord met rösti voor mijn neus. Er cirkelde een arend hoog in de lucht. Of misschien was het een ander soort roofvogel, op zoek naar een hapje. Een havik of een buizerd. Kon ook. Op de parkeerplaats naast het restaurant werd de ene na de andere groep toeristen uit een bus geladen. Vooral veel Japanners die vanuit het land van de rijzende zon naar de Zwisterse Alpen waren gekomen om een foto te knippen van de drie zwaargewichten Eiger, Jungfrau en Mönch. Het was augustus. De zon scheen fel in de Grindelwaldvallei. Terwijl de rest zich hogerop begaf, genoot ik op een terras van de zon. Ik koester geen fascinatie voor bergen, alhoewel het uitzicht op de noordwand van de Eiger indrukwekkend was. Ik moest aan Clint Eastwood denken, die in de actiefilm The Eiger Sanction (1975) een huurmoordenaar speelt die een bergbeklimmer om zeep moet helpen. Geweldige beelden van een jonge Eastwood, verticaal tegen de Eiger aangeplakt, die met een verbeten grimas op het gelaat jacht maakt op zijn prooi. De Eiger is onder bergbeklimmers legendarisch gelijk Eastwood. De puntige en steile noordwand staat bekend als een van de meest gevaarlijke klims van Europa en wordt ook wel de Moordwand genoemd. Sinds 1935 lieten zestig klimmers op de Eiger het leven. Ze kukelden in het 1828 meter diepe ravijn, werden geraakt door rondvliegende rotsblokken, gleden in spleten, kwamen onder lawines terecht of vroren dood. Dat laatste overkwam de Italiaan Stefano Longhi. Zijn dood is een klassieke whodunnit. Dat zit zo: Tijdens de zomer van 1957 ondernam de jonge Italiaanse alpinist een expeditie naar de top van de Eiger. Zijn maatje Claudio Corti, de spin van Olginate genoemd, was er ook bij. Volle goede moed gingen de twee op pad. De omstandigheden waren ideaal, totdat Longhi een paar honderd meter onder de top uitgleed over een richel en de diepte inschoot. Bungelend aan zijn veiligheidskoord, hing de Italiaan daarna boven de afgrond. En wat Corti ook deed, hij kreeg zijn vriend niet naar boven gehesen. Hij besloot hulp te gaan halen, ondanks de ongeschreven regel onder alpinisten dat je in de bergen alleen de doden alleen achterlaat. ‘Schiet wel op’, schreeuwde Longhi. ‘Ciao! Houd moed’, brulde Conti terug. Dat klonk opgewekt, maar kort daarna sloeg het weer om en werd Conti uitgeschakeld door rondvliegende rotsblokken. Twee Duitse alpinisten vonden Conti uiteindelijk terug. Meer dood dan levend. Op zoek naar hulp, lieten ook zij de twee Italianen achter op de Eiger. De ene in een wapperend tentje, de ander bungelend aan een touw. Claudio Corti zou uiteindelijk als enige gered worden. Voor Longhi kwam de hulp te laat. Zijn levenloze lichaam hing twee jaar lang boven het ravijn, voordat Zwisterse hulpverleners het stoffelijk overschot uiteindelijk wisten te bergen. Van de Duiters Franz Mayer en Gunther Nothdurft ontbrak jarenlang ieder spoor. De Italiaanse overlevende, tachtig inmiddels, weigerde lange tijd over zijn dramatische avontuur te praten maar publiceerde onlangs een boek. In ‘Gevange van de Eiger’ probeert de alpinist na ruim vijftig jaar af te rekenen met alle vooroordelen die tegen hem bestaan. De Italiaan werd een persona non grata binnen de wereld van het alpinisme. Door Heinrich Harrer werd hij zelfs als moordenaar afgeschilderd. Volgens de man die in 1938 als eerste de top van de Eiger bereikte, had de klimmer zijn collega nooit alleen achter mogen laten. Dat was volgens Harrer een lafhartige daad van Corti om zichzelf in veiligheid te kunnen brengen. En wie weet had hij de twee Duitsers ook wel om zeep geholpen, om in hun tentje te kunnen schuilen, beweerde Harrer. Corti heeft de beschuldigingen altijd ontkend en alhoewel zijn gelijk gedeeltelijk werd bewezen toen de bevroren lichamen van de Duitsers uiteindelijk werden teruggevonden onder een lading sneeuw, blijven de vooroordelen bestaan. Corti is een gevange van zijn eigen verleden. Hij zal ermee moeten leren leven. Hij leeft nog. Longhi al lang niet meer.

Friday, December 12, 2008

Luxe zaad


De Italian stallion is sindskort weer veilig terug in Italië, na een vruchtbaar avontuur in Zweden. In Vigone, een dorpje ten zuiden van Turijn, mag de dekhengst nu even tot rust komen. Ver weg van verleidelijk hinnikende dames en op een bedje van vers stro. Drie bodyguards houden permanent de wacht en ook de carabinieri doen regelmatig een rondje. De viervoeter staat in een soort geblindeerde cel en wordt door vijf beveiligingscamera’s in de gaten gehouden. Het is nog erger dan de mixed-zone na afloop van een partijtje in de Champions League: zonder een accreditatie kom je niet in de buurt van zijn stal. Men vreest voor een ontvoering. Niet zo verwonderlijk. Varenne is de succesvolste draver allertijden. Tussen 1998 en 2002 won de Italiaanse hengst 51 Grote Prijzen. Hij verpulverde tijdens zijn carrière het ene na het andere baan- en wereldrecord en liep in totaal ruim zes miljoen euro aan prijzengeld bij elkaar. De vraag naar zijn nazaten is groot. Een buisje sperma van de gepensioneerde kampioen kost vijftienduizend euro. Kwestie van vraag en aanbod. De hengst komt gemiddeld tweehonderd keer per jaar, dus tel maar uit je winst. Allicht dat er een stel boeven achter het zaad van Varenne aan zit. In Italië zijn ze dol op de draver, die liefkozend Il Capitano (de aanvoerder) wordt genoemd. Het paard heeft er de status van een superster. Nog altijd. Hij is gelijk wielrenner Fausto Coppi de Campionissimo, maar dan een op vier benen. Varenne heeft een eigen website, fanclubs, er werd een lied aan hem opgedragen, twee boeken over hem geschreven en hij weet zelfs mensenkinderen naar zich vernoemd. Tijdens zijn gloriedagen reisden de tifosi stad en land af om de atleet in actie te zien, zoals tijdens de Prix d’Amerique van 2002 in Parijs. Met de wind op kop schakelde Varenne toen een tandje bij alsof het niets was - trak-trak-trak - en won voor de tweede opeenvolgende keer de meest prestigieuze koers van Europa. In Rome werd de hengst daarna als een groot kampioen onthaald. Wat volgde was een zegetocht door de stad en een rondje over de sintelbaan van het stadio Olimpico, met tachtigduizend fans op de tribune. Varenne nam in 2002 afscheid, op het hoogtepunt van zijn roem. Toen hij het jaar erop bezig was met een afscheidstoernee huilden de fans langs de renbaan tranen met tuiten. Echt waar. En daar hadden we het dan over, tijdens het kringgesprek op maandag, toen ik tijdens de zomer van 2003 een talencursus volgde in Florence. Dan legde de lerares uit wat het paard voor de Italianse sportfans had betekend, ze sprak over zijn soepele tred en vertelde over de invloed van Iina Rastas, het Finse meisje dat zijn vaste verzorgster was. Over de blondine werd gezegd dat ze de verloofde van Varenne was. Ze zou ‘s nachts zelfs bij hem slapen in de stal. De passie van IIna voor Varenne kende geen grenzen. ‘Tijdens de periode dat ik voor hem zorgde, leefde ik inderdaad alleen maar voor hem. Ik kende Varenne zo goed dat ik in bijna iedere situatie zijn reactie kon voorspellen’, schreef de Finse deze week toen ik contact met haar zocht via Facebook, een soort vriendennetwerk op internet. Alhoewel het stel inmiddels gescheiden leeft, heeft Rastas nog steeds contact met haar ex. Tijdens verjaardagsfeestjes bijvoorbeeld, die door de fans van de inmiddels 13-jarige Varenne nog elk jaar worden georganiseerd en waarvoor Iina steevast een uitnodiging ontvangt. ‘In het begin was dat emotioneel, maar inmiddels denk ik minder aan hem’, aldus Rastas in haar mail. De Finse is zelf inmiddels moeder van dochter Emmi van negen maanden, maar zit nog steeds in de paardenbusiness. In de stal achter haar huis heeft ze twee nazaten van Varenne staan van wie ze hoopt dat ze ooit in de voetsporen van hun beroemde vader zullen treden. ‘Een ding is zeker: zijn records zullen op een dag verbeterd worden, maar voor mij blijft Varenne de greatest of all time. Best regards, Iina Rastas. P.S. Me sleeping in his stable, though, is an urban legend’.

Deze column werd eerder gepubliceerd in AD Sportwereld. Renate Verhoofstad schrijft elke vrijdag een bijdrage. Zie ook www.sportwereld.nl/columnisten

Luciano Re Cecconi


Er werd deze week een juwelier overhoop geschoten in Rome. Francesco Lenzi werd door drie overvallers gedwongen de geheime code van de kluis prijs te geven en kreeg daarna een kogel door zijn kop. Het lijk van de juwelier werd gevonden in een villa in een buitenwijk van Rome; naakt, verminkt, met handen en voeten gebonden, in een enorme plas bloed. De bandieten gingen er vandoor met achthonderdduizend euro aan dure Rolexen en Cartiers. Ik moest denken aan het droeve lot van Luciano Re Cecconi, mythische middenvelder van Lazio Roma tijdens de jaren zeventig. Ze noemden hem Cecco-Netzer omdat de voetballer zowel qua spel als uiterlijk wel wat van de Duitser Günther Netzer weg had. Of Volkswagen, navenant zijn uithoudingsvermogen en betrouwbaarheid. Of l’angelo biondo (blonde engel) vanwege Cecconi’s goudblonde lokken, die tijdens rushes in het Olimpico zo lekker konden opflakkeren in de wind. Hij was een veelscorende middenvelder die techniek aan inzet koppelde, zo eentje met gekromde benen, die kon uitdelen én incasseren. Niet gemeen, wel hard. Ik typte zijn naam deze week in op You Tube en zag Re Cecconi in zwartwitbeeld voorbij dribbelen. Passen op spits Giorgio Chinaglia en zelf scoren. Zoals in de laatste minuut tegen AC Milan en een hele belangrijke tegen Juventus. Of in eigen goal, zoals tijdens zijn onfortuinlijke debuutwedstrijd voor de nationale ploeg tegen Joegoslavië. Cecco is in Rome een legende omdat hij in 1974 met Lazio het scudetto veroverde, de eerste landstitel sinds de oprichting van de Romeinse club in 1900. Re Cecconi was één van de gangmakers binnen een ploeg die bekend stond als een stel fascisten bij elkaar. Cowboys die akkefietjes tijdens de training het liefst oplosten met een flinke oplawaai, maar die binnen de lijnen een hecht collectief vormden. Sommige spelers waren zo gek als een deur. Die zaten met holsters om het bovenlijf geknoopt in de kleedkamer. Voor thuisduels kwam de ploeg vaak in trainingskamp bijeen in een hotel in de periferie van Rome. Uit verveling schoten de spelers vanuit hun hotelkamer op lantaarnpalen, vogels en vuilnisbakken. Re Cecconi hield ook wel van een dolletje, maar was een van de weinige spelers die geen wapen bij zich droeg. Hij hield wel van parachutespringen, snelle auto’s en motoren en stond bekend als iemand die de grens graag opzocht. Dat zou blijken op 18 januari 1977, op een ijskoude namiddag in Rome. Re Cecconi, op dat moment geblesseerd aan zijn knie, werd er door een vriend op uitgestuurd om een pakketje op te pikken bij een juwelier om de hoek. Ploegmaat Pietro Ghedin was er ook bij. Tegen zessen stapten de twee voetballers de juwelierszaak van Bruno Tabocchini binnen en zetten voor de gein een overval in scène. Re Cecconi hield zijn gezicht achter een bontkraag verscholen en greep met zijn rechterhand naar een blaffer in de binnenzak. Zogenaamd. Tegelijkertijd schreeuwde hij: ‘Halt, dit is een overval’. De juwelier achter de toonbank schrok zich een hoedje. Hij had in de blonde bandiet de voetballer niet herkend. In een flits schoten duizend dingen door zijn hoofd. Bruno Tabocchini was al twee keer eerder overvallen dat jaar. Hij dacht aan de zaak, aan zijn familie en besloot te kiezen voor zichzelf. Zonder aarzelen gristte hij vanonder de til een Walther van het kaliber 7.65 tevoorschijn, richtte die op Luciano Re Cecconi en lostte een schot. Pang! De voetballer werd vol in de borst geraakt en zakte als een zoutzak ineen. Pietro Ghedin stond als aan de grond genageld. Wat gebeurde hier? Dit was net als in de film. Luciano Re Cecconi bleek niet meer te redden. Hij overleed een half uur later buiten op de stoep. De voetballer werd 29 jaar oud. ‘Het was een grap, het was alleen maar een grap’, waren zijn laatste woorden. De fans van Lazio zijn de grappenmaker na al die jaren nog niet vergeten. Deze week werd zijn zestigste verjaardag herdacht.

Deze column werd eerder gepubliceerd in AD Sportwereld. Renate Verhoofstad schrijft elke vrijdag een bijdrage. Zie ook www.sportwereld.nl/columnisten

Cassanate

Als de stoom Danko Lazovic nog eens uit de oren komt, kan de PSV’er beter een voorbeeld nemen aan Antonio Cassano. Dat klinkt gek. De Italiaan heeft minstens zo’n kort lontje als de Serviër en had Huub Stevens (én zijn moeder) in een vergelijkbare situatie vermoedelijk ook voor pussy uitgemaakt, of nog erger, maar Cassano doet dat sinds dit seizoen heel gewiekst met de hand voor de mond. Het is een gek gezicht, maar de zelfcensuur werkt. Zelfs liplezers kunnen de verwensingen van Anto’ niet langer vertalen. De George Best van Bari was mede daarom nog niet in opspraak dit seizoen. Hij was wel positief in het nieuws. De comeback kid is eindelijk weer op gewicht, komt (bijna altijd) op tijd voor de training, is aanvoerder van Sampdoria en heeft serieuze verkering met een meisje dat aan waterpolo doet en die hem op het rechte pad houdt. Cassano laat zijn voeten weer spreken. Het werd tijd. In Italië noemen ze hem een fuoriclasse, een speler van de buitencategorie. In potentie is Cassano dat ook, maar de spelmaker zat zijn eigen talent vaak in de weg. Hij is een heethoofd op z’n Italiaans, zo een die onmogelijk tot tien kan tellen. En nog trots ook. O wee als een trainer hem in het verleden op de bank durfde te zetten. Dan sloegen de stoppen door. Dan maakte Cassano zich zonder pardon uit de voeten, in één van zijn vele Ferrari’s of Mercedessen. Dan bekeek hij het duel net zo lief thuis voor de buis. Met mama Giovanna naast hem op de bank en een schaaltje met Napolitaanse panzarotti op tafel, net als vroeger. Cassanate is het woord dat Fabio Capello verzon om de streken van de weerbarstige voetballer te omschrijven. De toenmalige trainer van AS Roma werd in een volle kleedkamer ooit voor stuk stront uitgemaakt. ‘Nog minder waard dan het geld uit Monopoly’. Ook Gabriel Batistuta heeft het geweten. Toen de Argentijn het waagde om voor te dringen tijdens het bestellen van een caffè macchiato, peuterde Cassano opzichtig in zijn neus en roerde daarna met zijn vinger door de koffie van Batigol. ‘Zo, en nu wil ik wel eens zien of je ‘m nog opdrinkt’, zei de nieuwkomer tegen de ouderling. Cassano won. De lijst met anecdotes is oneindig. Cassano lepelt ze allemaal op in zijn deze week verschenen autobiografie. Hij neemt geen blad voor de mond en beledigt vriend en vijand. Vermakelijk zijn de verhalen over avondjes uit met oud-ploeggenoot Francesco Totti met wie hij vaak op- en neer scheurde naar Milaan. In tweeëneenhalf uur. Vanuit Rome! Alhoewel Cassano sinds Carolina celibatair zegt te leven, beweert de Casanova tot nu toe met zo’n zes- á zevenhonderd vrouwen het bed te hebben gedeeld. Jazeker, ook de dag voor de wedstrijd. Met een fotomodel uit Nederland bijvoorbeeld, met wie hij de liefde bedreef in de kleedkamer van Trigoria, het trainingscentrum van AS Roma, totdat de massagetafel het begaf. Niemand die er wat van durfde te zeggen. Zolang Antonio maar scoorde. In Madrid was het nog makkelijker. Daar betaalde hij de piccolo van het hotel vijftig euro om meisjes via de brandtrap naar binnen te kunnen smokkelen tijdens trainingskampen van zijn club Real. Het was makkelijk scoren in bed, wat minder daarbuiten. Cassano botste zoals zo vaak tegen het gezag. Het hoort bij het karakter van een jongetje dat opgroeide in Bari Vecchia, onder moeilijke omstandigheden en zonder vader. Antonio Cassano leerde de kunst van het voetballen op straat. Elke dag pingelen in blote bast tussen de marktkramen op de Piazza del Ferrarese en als de politie hem weer eens wegstuurde, smeet hij met eieren en rotte tomaten. Hij was van de duvel niet bang en wilde altijd winnen. Nog steeds. Het eeuwige talent is inmiddels 26 jaar. Wie weet wordt de belofte alsnog ingelost.

Parola

Ik volg een bieding op Ebay. Inzet zijn ‘140 figurine calciatori PANINI tutte diverse’ uit het seizoen 1973/1974. Ik ben benieuwd naar de helden uit mijn geboortejaar. Het huidige bod staat op 2,50 euro maar dat bedrag gaat zeker nog oplopen. Ik weet dat ik geduld moet hebben. Zo lang mogelijk wachten met inzetten en dan hopelijk over alles en iedereen heen. Ik ben dol op Ebay. En op Panini. Overal slingeren losse plaatjes rond in mijn flat. Spelers allerlei. Michel van de Korput, Luciano Re Cecconi, René van der Kerkhof, Juan Alberto Schiaffino, Mario Corso, Willem van Hanegem e.a. in de keukelade met een elastiekje eromheen. De zwart-witafbeelding van Gigi Riva mag mee in de portemonnee. Het boek van het WK van 1990 heb ik bijna compleet. Van het WK van 1994 herinner ik me vooral de avonden buiten op straat, plaatjes ruilen met jongetjes uit de buurt. Ik kwam verdomme maar niet van Joseph-Antoine Bell af. De doelman van Kameroen moet ik wel vijf keer dubbel hebben gehad. Uiteindelijk heb ik dat opgevat als een soort gebaar van de grote voetbalgod. Hoezo Romario of Baggio? Bell was de ware plaatjesheld van dat WK. Ik plakte de doelman op de zijkant van de koelkast, naast de telefoon en Bell nummer vier en vijf hingen boven de deur van de woonkamer. Om de spelers uit de Serie A wat beter te leren kennen, bestelde ik vier jaar geleden een voetbalplaatjesboek bij de kiosk van Giampaolo Cenni op de hoek van de Via del’Angolo en de Via Giuseppe Verdi in Florence. Of het om een kadootje ging, vroeg Cenni. ‘Nee hoor’, antwoordde ik. ‘En doe er gelijk voor twintig euro aan plaatjes bij’. Ik heb die middag zitten plakken als een gek. In Lucca staan sinds de recente verhuizing alle heruitgaves van de Calciatori voetbalplaatjesboeken vanaf 1960 in de boekenkast. Je kon de serie ooit sparen via de Gazzetta dello Sport. Elke week een compleet boek voor slechts 9,90 euro, plus 1 euro voor de aankoop van de Gazzetta zelf. Het was een geweldige marketingtruc en leuk voor de fan bovendien, maar de lol van het sparen van losse plaatjes ontbrak. En uiteindelijk gaat het toch daarom. Om de aankoop van een zakje van vijf, met op de voorkant de beroemde afbeelding van de voetballer zwevend in de lucht, in een soort bevroren toestand, met het lichaam in perfecte balans, uithalend naar de bal met rechts. De man in de lucht is Carlo Parola, verdediger van Juventus tijdens de jaren vijftig. Ze herinneren zich hem in Italië als een uitstekend verdedediger, maar Parola is vooral Mister Rovesciata (Mister Omhaal). De voetballer werd na zijn carrière trainer. Ook van Fabio Capello, die over Parola zei: ‘Op zijn vijftigste slaagde hij er nog in om uit een omhaal de lat te raken’. De mythische afbeelding van een molenwiekende Parola werd geknipt op 15 januari 1950, tijdens de wedstrijd Fiorentina tegen Juventus. Fotograaf Corrado Banchi lag langs de lijn op de grond toen een verdediger van Fiorentina een lange bal afvuurde richting het doel van Juventus. Egisto Pandolfini van Fiorentina schoot weg als een duveltje uit een doosje. Daar kwam de bal aan en daar ging Carlo Parola, met zijn lange lijf de lucht in, omhalend naar de bal. En fotograaf Banchi maar knippen. ‘Ik herinner me de verbazing van het publiek, dat minutenlang stil bleef. En daarna een orkaan van applaus, natuurlijk, zoiets hadden we nog nooit gezien’, aldus een ooggetuige. De beroemde omhaal van Parola zou uitgroeien tot hét beeldmerk van het al even beroemde voetbalplaatjesbedrijf Panini uit Modena. De voetballer is inmiddels dood, hij overleed in maart 2000, maar de omhaal van Parola is onsterfelijk. De bieding op Ebay loopt af op 27 november, om 21:18:42 CET. Ik hoop dat ik ga winnen.

Thursday, November 20, 2008

Del Piero

Als klein ventje droomde Alessandro Del Piero van de perfecte vrije trap. Ontelbare keren bestudeerde hij beelden van Zico, Platini en Maradona. Play-stop-rewind en nog een keer. Totdat de videocassettes het uiteindelijk begaven. DVD’s bestonden nog niet. Met de boogballen van de Braziliaan, de Fransman en de Argentijn op het netvlies, begon de piepjonge Del Piero dan te schuiven met meubilair in de woonkamer van het ouderlijk huis in Conegliano. Salontafel aan de kant, fauteuil van pa in de ene hoek, het breiwerk van ma in de andere, het bankstel halverwege in het midden, twee stoelen als doelpalen tegen de muur, trappen maar. Met een piepklein balletje en vooral met rechts. Steeds opnieuw proberen de bal over of langs de bank te lepelen en in het doel. Het getrap van de kleine Ale dreef mama Bruna geregeld tot waanzin, vooral als er weer eens een vaas of een erfstuk sneuvelde, waarna de jongste zoon zijn oefenterrein verlegde naar de slaapkamer. Daar begon hij met het mikken op de lichtschakelaar. Aan-uit, aan-uit. Ook een prima oefening. Dat bleek afgelopen weekend. Tijdens het duel tegen Chievo Verona, op de dag van zijn 34ste verjaardag, schoot Del Piero zijn 249ste goal voor Juventus erin. Niet zomaar een intikkertje of de bal er lullig inkletsen via de kluts, maar een wonderschoon doelpunt uit een vrije trap. De zoveelste tijdens zijn carrière, de vijfde dit seizoen en al weer de derde binnen een week. De captain steekt in bloedvorm en de crisis waar Juventus zich een paar weken geleden in bevond, is vooral overgewaaid dankzij hem. De feestweek begon op 1 november, op de dag dat in Turijn het 111-jarige bestaan van de club werd gevierd. Del Piero besloot de boel in zijn eentje wat op te leuken en krulde een vrije trap van twintig meter achter doelman Doni van Roma. Aanloop, uithalen, gol! Net als vroeger. Oud-voorzitter Agnelli vergeleek het spel van Del Piero ooit met de penseelstreken van Renaissance-kunstenaar Pinturicchio en schilderen met de bal was precies wat Del Piero vorige week deed tijdens het Champions League-duel tegen Real Madrid. Toen de doelpuntenmaker door Ranieri naar de kant werd gehaald, kón het publiek in Madrid niet anders dan op de banken gaan. Del Piero stak dankbaar zijn handen in de lucht. Soms kent voetbal geen grenzen en gelukkig maar. Ik heb eerlijk gezegd altijd een bloedhekel aan Del Piero gehad. Hij was hét symbool van het machtige Juventus. Wat kon je als fan van Fiorentina anders dan tégen die gobbo (gebochelde) te zijn? Op de tribune van Fiorentina heb ik hem ooit voor vies en vuil uitgemaakt, vooral als hij weer eens tegen scoorde, maar inmiddels ben ik om. Deze week was het tijd voor mijn outing. Toen ik maandag voor een cappuccino bij bar Stella Polare binnenstapte, heb ik mijn voetbalvrienden Ilario en Giuliano over mijn bewondering voor Del Piero verteld. Die keken daar ontzettend van op. De bekentenis ging niet van harte, maar voor een voetballer als Del Piero kun je niet anders dan respect hebben. Hij is dé voorbeeldprof, geroemd vanwege zijn loyaliteit. Ook toen Juventus werd teruggezet naar de Serie B, ook als hij door een trainer op de bank werd gezet. Del Piero haalde zijn gram nooit in de krant, altijd op het veld. Een ernstige knieblessure leek tien jaar geleden het einde van zijn carriere in te luiden, maar in plaats daarvan werd hij elk jaar beter. Het is logisch dat zijn status inmiddels mythische vormen aanneemt. Hij is de meest succesvolle na-oorlogse speler van Juventus en zijn carriere zit er nog lang niet op. ‘Ik schaam me wel eens als ik jongetjes op straat hoor zeggen: ‘Nu ga ik een goal maken alla Del Piero’. Maar het wil zeggen dat ik wat bereikt heb’, zei Del Piero ooit tijdens een interview met de Italiaanse Hard Gras. Op naar goal nummer 250.

Tomba

Het regent sinds deze week in Lucca. Met bakken komt het uit de lucht. In de grijze verte, richting Abetone, kleuren de bergtoppen van de Apenijnen inmiddels wit. Gelukkig is de biografie van Alberto Tomba net uit. Twintig jaar na het winnen van zijn eerste gouden medaille in Calgary en tien jaar na zijn afscheid van de sport, vond de skiheld het tijd voor een boek. ‘Eerste en tweede manche’ * gaat over Tomba’s avonturen op en naast de piste, over zijn ontelbare successen, over zijn liefde voor pizza, pasta en wijn, zijn acteerprestaties en over zijn mislukte relaties en affaires met Italiaanse modellen en missen, met ene Elisabeth uit Australië, met een blond zangeresje uit Finland en een knappe hostess uit Frankrijk. Het boek van la bomba leest lekker weg met de verwarming wat verder opgestookt en een glas rood in de hand. ‘God schiep de sneeuw en daarna schiep Hij Alberto Tomba. En God zei: ‘Alberto, gaat hene en win’. Tomba ging heen en won. Veel en vaak. Wereldtitels en Olympische medailles. Rats, rats, rats langs de poortjes. Tomba met zijn turbodijen kon bergen laten trillen van geluk. Ze noemden hem ‘de lawine’, ‘het beest’ of ‘pope of the slopes’ omdat de Italiaan onderaan de helling nogal eens door de knieën ging. Handen in de lucht, een kus voor de sneeuw, alweer een overwinning. Je hield als fan je hart vast als hij als een ongeleid projectiel van de helling stoof, wild om zich heen zwaaiend met armen en benen, maar het was genieten geblazen van zoveel grinta. Tomba was uniek. De ene dag stoof het rijkeluiszoontje in boxershort van de piste om een nieuwe onderbroekenlijn aan te prijzen, om de dag erop een trofee naar het hoofd van een fotograaf te slingeren die het had gewaagd naaktfoto’s van hem te knippen in een sauna in Zwitserland. Tomba was de controversiële kampioen die spotte met de wetten van de topsport door de avond vóór zijn gouden race in Calgary tot diep in de nacht de liefde te bedrijven. Met drie dames tegelijk, beweerde Tomba. In het najaar van 1997 ontmoette ik de playboy zomaar zelf. Het gebeurde in Zoetermeer waar Tomba meedeed aan een wedstrijdje indoorskiën voor een goed doel. En daar stond ik dan, samen met de cameraploeg van Sportpaleis de Jong, te bibberen in de vrieskou, met knikkende knieën, op een meter van de Italiaan. Tomba zag er in het echt net zo flitsend uit als op televisie. Iets té pront van postuur. Je kon zien dat hij zich graag een tweede keer liet opscheppen als la mamma thuis in Bologna nog een keer rondging met de schaal lasagne. Zijn krullenbol zat mooi in model. Terwijl Tomba wat stond te kletsen, probeerde ik vanuit de dode hoek zijn aandacht te vangen. Na een tijdje had hij me in de gaten. Ik mompelde wat zinnetjes in mijn beste Italiaans. Over sportpalazzo de Jong enzo en een intervista per favore. Het zou er niet van komen. Albertissimo had andere plannen. Die toverde een ansichtkaart uit zijn binnenzak tevoorschijn, friemelde een handtekening onder zijn eigen afbeelding, nog een mooi hartje erbij en in de hoek zijn mobiele telefoonnummer, voor als ik die avond zin kreeg. Nog een knipoog als toegift en arrivederci! Zonder interview of filmpje droop ik af. Gedesillusioneerd. Wat haalde die Tomba zich wel niet in zijn hoofd. Ik bedacht dat ik de held een ontzettend arrogante, zelfingenomen salami vond. Nou ís de Italiaan dat natuurlijk ook, maar elf jaar na dato overheerst de herinnering aan een legendarisch kampioen die de skisport jarenlang kleur gaf en in die zin wordt grande Tomba vreselijk gemist. In Lucca wordt de ansichtkaart inmiddels liefdevol gekoesterd. Handig als boeklegger bovendien.
* Albert Tomba, prima e seconda manche. Uitgeverij Sperling & Kupfer. ISBN 978-88-200-4635-4

Wednesday, August 13, 2008

Knoote

Het competitieschema in de Serie A is bekend. Vanaf 31 augustus rolt de bal weer . Milanista Clarence Seedorf is voorlopig de enige Nederlandse voetballer op het hoogste plan. De rest speelt in Spanje. Of Engeland. En een paar in Duitsland. Hoe anders was dat in het verleden. Italië was hét voetbalbeloofde land. Daar kon je je meten met de allerbesten, daar speelde je in bomvolle stadions, daar kon je je zakken vullen, daar was het belastingklimaat ideaal. Faas Wilkes was begin jaren vijftig een soort pionier. De midvoor van Inter kon zo verschrikkelijk kunstzinnig door de linies dribbelen dat het publiek er uitzinnig van werd. De Rotterdammer was trouwens niet de eerste Nederlander in de Serie A. Dat was François Menno Knoote. Ik tikte het feitje ooit wat gelukkig op de kop toen ik door een jubileumuitgave van de Gazzetta dello Sport bladerde. Ineens stond het er: Menno Knoote, Olandese, centrocampista AC Milan, stagione 1905/1906, 1 x scudetto, naast een fotootje van de kampioensploeg. Knoote stond (links óf rechts) naast de Engelsman Herbert Kilpin, een stoere Engelse stopper met opgetrokken kousen, drollenvanger én krulsnor. Zo op het oog een echte vedette. Geen idee of Knoote dat ook was, maar de Hagenees is hoe dan ook de eerste Nederlander in dienst van AC Milan, ver voor de tijd van Gullit, Rijkaard en Van Basten. Op een eeuw van Clarence Seedorf. Het moet een vrij deftige jongeheer zijn geweest, François Menno Knoote, want voetballers in die tijd waren bijna allemaal vrij deftige jongeheren. Calcio was nog een sport de upperclass, voor jongens van adel. Geboren in 1879 in Den Haag, toog Knoote begin vorige eeuw naar Milaan. Niet voor de bal, maar voor de kunsten. In de stad van de opera en het Scala wilde Knoote schaven aan zijn zangtechniek. In zijn vrije tijd speelde hij in het eerste van de Milan Football and Cricket Club, het huidige AC Milan. Beetje achter de bal aanhollen, zo’n loeizwaar ding met een veter erin. Ik las in de Gazzetta dat de Olandese volante een mooiweervoetballer werd genoemd omdat Knoote alleen in actie kwam als het droog bleef. De dag voor de wedstrijd bezocht hij traditiegetrouw La Galleria, een overdekt winkelcentrum in het centrum van de stad, om op de barometer de weersvooruitzichten te kunnen bekijken. Bij voorspelde regen bleef Knoote in bed. Of hij kwam de kleedkamer niet uit. En als het tijdens een duel toch onverwacht met bakken uit de lucht kwam, spurtte de middenvelder zonder pardon het veld weer af. Snel douchen, aankleden en wegwezen, want stelde je voor dat hij kou zou vatten. Dat kon zomaar funest zijn voor de stem, terwijl voetbal een spelletje was. Om meer over François Menno Knoote te weten te komen, belde ik met de perschef van AC Milan. Die bleek in eerste instantie nog nooit van de Nederlander te hebben gehoord - Knoote chi? Wie? – maar belde later terug om de geboortedatum door te geven: 15 februari 1879. Deze week stuitte ik via google op ene François Knoote uit Engeland, die in 2004 samen met zijn vrouw Kim Knoote terecht stond omdat hij bejaarden in een verzorgingshuis slecht zou hebben behandeld. Is vast geen familie van de chique voetballer, dacht ik. Beeldend kunstenaar Eric Knoote uit Amsterdam is dat wel. De Milanista moet een broer van zijn opa zijn geweest, maar zeker weten deed Eric Knoote het niet. Ik hoopte op informatie over rugnummers, posities, links of rechts, op anecdotes over belle signorine langs de lijn. Maar Eric Knoote had ze niet. ‘De familie is klein, de meesten zijn dood. Het is lang geleden niet waar’, zei de achterneef van François Menno Knoote. Op zondag 31 augustus opent AC Milan het voetbal-bal met een thuiswedstrijd tegen Bologna.

Monday, July 28, 2008

Voetbalkalender Serie A 2008/2009

Binnenkort rolt de bal weer. Weer eens wat anders dan wielrennen. Klik op de onderstaande link voor het programma:

http://www.gazzetta.it/speciali/seriea/calendario_serie_a.shtml

Elijzen en Dekker in Lucca



Ik zat van de week met twee wielrenners aan tafel. De een toekomstig kopman, de ander knecht. De kopman en de knecht bestelden wat te eten. De ene een bordje met tortelli Lucchesi (en wel twee ook), de ander een carpaccio. Twee colaatjes light en een glaasje witte wijn erbij. Die middag hadden ze nog samen getraind, op de racefiets dwars door het Toscaanse land. Nu was het tijd om te relaxen. Het was een zwoele Italiaanse zomeravond zoals zwoele Italiaanse zomeravonden horen te zijn. Met veel parfum in de lucht en deftige signori en signore die aan ons tafeltje voorbij flaneerden. Heren in pak, madammen in wat luchtigs en met het haar mooi in model tijdens een Italiaanse avondwandeling. Goed voor de spijsvertering en daarna nog een lekker ijsje met stracciatella toe. In de achtergrond klonk de muziek van Ennio Morricone, de legendarische Italiaanse componist, die de Piazza Napoleone in vuur en vlam zette met klassieke tonen uit de opera’s van Giacomo Puccini. Ik herkende op de eerste rij Marcello Lippi tussen de VIP’s, die met zijn hoofd meebewoog op de muziek. Daarna gaf Morricone de maat aan voor door hem zelf gecomponeerde filmmuziek uit The Good, the Bad and the Ugly en Once Upon a Time in the West, twee beroemde spaghetti-westerns van Sergio Leone uit de jaren zestig. Dat was overigens in een tijd dat de toekomstige kopman en de knecht nog in de perenboom hingen. Het zou nog tot de jaren tachtig duren voordat de twee geboren werden. De kopman zei dat hij nog nooit van de muziek van Morricone had gehoord. De knecht gelukkig wel. De kopman zei dat hij het wel hele mooie muziek vond, nu hij er zo naar zat te luisteren, maar gaf toch de voorkeur aan techno. De knecht bleek een echte fan. Tijdens de eerste tonen had hij al opgetogen met Nederland gebeld, stak zijn mobiele telefoon in de lucht en liet op die manier de familie thuis meegenieten van de muziek. Ik slurpte een slok wit naar binnen en stak tegen de gewoonte in een sigaretje op. Ondertussen klonk er muziek uit The Untouchables, een film uit 1987 van Brian de Palma, met Robert de Niro in de rol van maffiabaas Al Capone en Kevin Costner als boevenvanger Eliot Ness; eigenlijk ook het verhaal van een kopman en een knecht. Nou is dat in een film heel gewoon. Het je hebt goedzakken en slechteriken, hoofd- en bijrollen, maar knechten in de sport is eigenlijk heel onnatuurlijk, omdat het vooral ‘om de beste willen zijn’ draait. En toch zit de schoonheid van het wielrennen ook en misschien wel vooral in het onbaatzuchtige karakter van de knecht. Gregari zijn de échte mannen van eer; kerels met een groot hart die bungelend aan de staart van het peloton de zoveelste drinkbus in hun shirt stoppen ter bevoorrading van de baas op kop. ‘Wij schrijvers neigen te willen verhalen over helden, maar we zouden er beter aan doen te vertellen over de onderdanen, over de engelen zonder vleugels’, schreef sportjournalist Gianni Brera ooit en gelijk had ‘ie. De schoonheid zit ‘m in de droevige ogen van Andrea Carrea, knecht van Coppi, nadat hij tijdens de Tour van ‘52 ‘per ongeluk’ het geel verovert. Het zit ‘m in de vastberadenheid van Alfredo Martini die Fiorenzo Magni na een valpartij in de Giro van 1956 weer op de fiets hijst, ondanks een gebroken sleutelbeen - opdat er gewonnen wordt. Waar was Bartali zonder Giovaninno Corrieri, waar blijft de sprinter tegenwoordig zonder trein? ‘Je moet weten wat je beperkingen zijn. Ik zal nooit de Tour gaan winnen en daarom ben ik tevreden met een rol als knecht’, sprak Michiel Elijzen aan tafel. Thomas Dekker glimlachtte tevree.

Monday, July 14, 2008

Calcio Storico


Ik weet nog dat de armen en benen me om de oren vlogen, tijdens de finale van het calcio storico in de zomer van 2003. Ik zat op de zuid-tribune, in het groen van de wijk San Giovanni gehuld, naast een paar Amerikaanse toeristen die onophoudelijk ‘wow!’ en ‘great!’ in mijn oren tetterden, ook als er helemaal niets gebeurde. Dante Alighieri zou zich aan zoveel onwetendheid geërgerd hebben. De Florentijnse poeët keek mee over mijn schouder. Hij stond er mooi opgeblonken bij, op zijn marmeren sokkel voor de Basilica di Santa Croce, waar collega-genieën uit de Renaissance, zoals Galileo Galilei, Macchiavelli en Michelangelo begraven liggen. Mannen en vrouwen in middeleeuws kostuum betraden de arena. Vaandelzwaaiers, trommelaars, schutters, jonkvrouwen en edelmannen tijdens een kleurrijke parade. Er werd een kanon het stadionnetje binnengereden. Ah, daar had je de calciatori: 27 woest uitziende mannen in groen (San Giovanni) tegen 27 al even woest uitziende mannen in azzurro (Santa Croce). Echte gladiatoren. Ruige Florentijnen, met stoppelbaarden en in blote bast. Er werden strijdliederen ten gehore gebracht. Ik ging er eens goed voor zitten, voor een ouderwets potje calcio. Het calcio storico Fiorentino is een antieke vorm van voetbal dat rond 1400 al in Florence beoefend werd. In straten en op pleinen en langs de boorden van de rivier de Arno. Het was een manier om jonge soldaten in conditie te houden, om ze te testen op heldhaftigheid én om indruk te maken op belle signorine natuurlijk. Wat dat laatste betreft is er de afgelopen zeshonderd jaar weinig veranderd. Florentijnen vinden dat niet de Engelsen, maar zíj de uitvinders zijn van het moderne voetbal, al heeft het Calcio Fiorentino met het voetbal zoals dat tijdens het EK werd gespeeld, niet veel te maken. Zo mag de bal zowel met de hand als met de voet gespeeld, het doel meet vele meters en een doelpunt wordt een caccia genoemd. De sport laat zich het best omschrijven als een combinatie van Grieks-Romeins worstelen, rugby en voetbal. Bijna alles is geoorloofd. Ook het afbijten van oren, het neerhoeken van een tegenstander en het breken van armen en benen. Zolang de bal maar in het net belandt, zolang er maar gewonnen wordt. Elk jaar in juni worden twee halve finales gespeeld tussen vertegenwoordigende teams van de vier belangrijkste wijken (groen, rood, wit en blauw) van de stad. De finale is elk jaar op 24 juni, de dag van San Giovanni, beschermheilige van de stad Florence. En daar zat ik dan, met een groen sjaaltje om mijn hoofd geknoopt, een stel totaal onbekende sportmannen aan te moedigen. Er werd geknokt dat het een lieve lust was. Zelden zoveel grinta gezien, maar hier stond dan ook de eer van een heel stadsdeel op het spel. Het werd een geweldige voorstelling, spektakel op z’n Italiaans. En azzurro won. Na afloop werden de winnaars gekust door meisjes op hoge hakken en daarna door hun eigen moeders. Maar dat was 2003. Deze week werd er opnieuw een finale gespeeld, voor het eerst sinds 2006 toen de wedstrijd vanwege gewelddadigheden werd afgelast. Ik bekeek het duel dit keer op het strand van Marina di Pietrasanta, op het terras van Bagno Tina. Het was twee dagen na de uitschakeling van Italië. Er zaten wat gepensioneerde mannen om me heen, baby Julia Fé van 9 maanden rolde gelukzalig door het zand, Alfonsina van 83 zat in de hoek. Er werd weinig gezegd, veel gevloekt. Cazzo en porca miseria, als rood een caccia maakte. Bij Bagno Tina was men voor azzurro, net als tijdens de EK, maar opnieuw ging het mis. Net als tegen Spanje. ‘Niet erg’, keek Alfonsina op van haar breiwerk. ‘We zijn nog steeds wereldkampioen’. En de uitvinders van het voetbal bovendien.

Toni homo

Luca Toni is homo. Althans, volgens de fans van het Nederlands elftal. Die raakten er maar niet over uitgezongen tijdens Italië tegen Nederland. Ontelbare filmpjes op You Tube.. En maar brullen met zijn allen: Luca Toni is hooooomo, Luca Toni is hooooomo! Nu weet ik niet of dat ook klopt. De boomlange aanvaller heeft meer weg van een échte Italian stallion, vind ik, en is al jaren verloofd met fotomodel Marta Cecchetto. Nou zegt dat laatste niets. De Spanjaard Guti van Real Madrid is vader van twee kinderen, maar werd ooit hevig zoenend gefotografeerd met een man. Andrey Shevchenko is ook getrouwd, kinderen idem dito, maar schijnt toch de perschef van AC Milan wel eens voor een intiem afspraakje te hebben gevraagd. Tijdens de WK van 1982 deden hardnekkige geruchten de ronde over een pikante liaison tussen back Antonio Cabrini en spits Paolo Rossi. Als we de roddels moesten geloven waren de twee in Spanje meer dan zomaar kamergenoten. Italië sprak er schande van, totdat de azzurri de wereldtitel wonnen. Vijfentwintig jaar later ligt de affaire tussen Bel’Antonio en Pablito Rossi nog steeds gevoelig. Dat bleek toen ik eens belde met de chef voetbal van de Gazzetta dello Sport om te informeren wat daar nou van waar was, of bondscoach Enzo Bearzot misschien daarom tot een persboycot had besloten, hoe de media daar mee om ging en of die hele affaire nog had bijgedragen tot het success in Spanje, zoals het omkoopschandaal Calciopoli in 2006 een stimulerend effect had gehad op de squadra azzurra. Ik kon de zin amper afmaken; tuut-tuut-tuut. Later ging het in de media wel eens over Gianluca Vialli, die tijdens zijn periode bij Sampdoria regelmatig in de gayscene werd gesignaleerd. Ze zeiden dat de spits wel eens een knap matroosje oppikte in de haven van Genua. Zeiden ze. Ze zeggen zoveel. Het zijn smakelijke verhalen natuurlijk, maar het blijven geruchten. Dat komt omdat de voetbalwereld nog niet klaar is voor de waarheid, zegt Franco Grillini, voorzitter van de Italiaanse belangenvereniging voor homo's en lesbiennes. 'In elke sector is gemiddeld genomen 5% tot 10% van de mannen gay, dus ook in de Serie A lopen vermoedelijk twintig homo’s rond’, aldus Grillini. Hij kent ze ook wel, maar namen noemt hij niet. Grillini: ‘Ze zijn allemaal keurig getrouwd, kinderen, alles er op en er aan. Het is om de aandacht af te leiden. Ze zijn soms echt wanhopig'. Dat was Justin Fashanu ook, toen hij zich besloot op te knopen aan een dwarsbalk in de garage. De eerste voetballer die openlijk voor zijn homoseksuele geaardheid besloot uit te komen, werd daarna als een melaatse behandeld. Toen ik tegenover Luca, de barman van stamcafé Stella Polare, over ‘Toni gay’ begon, maakte hij een wegwerpgebaar met zijn arm en zette daarna met tegenzin een cappuccino voor mijn neus. Toni gay. Stel je voor zeg. Iemand een finocchio (homo) noemen is in het aartsconservatieve Italië een belediging an sich, maar in de über-macho wereld van het voetbal de verwensing der verwensingen. Ach, wordt het niet eens tijd om homofobie binnen het voetbal af te schaffen? Juist in Italië. De Romeinen hebben het zo’n beetje uitgevonden. Die gingen in het badhuis regelmatig met de buurman van bil. Daar was niets geks aan. Keizer Nero trad in het huwelijk met een man en Hadriano verloor zijn hart aan Antinoüs, een Griekse tiener. Conservatieve voetbalfans kunnen een voorbeeld nemen aan de progressieve Romeinen. In het oude Rome kon de slaaf tenminste nog op een beetje herenliefde rekenen, alvorens door de pater familias voor een gladiatorengevecht de arena van het Colosseum te worden ingestuurd, om uiteindelijk door een hongerige leeuw te worden verscheurd.

Toni macaroni


Der Toni
Marcello Lippi en Franz Beckenbauer keuvelden er onlangs gezellig op los. Ik stond aan de bar in Siena en ving flarden op van het gesprek. Het ging niet over voetbal. De Duitser vroeg waar Lippi eigenlijk vandaan kwam. ‘Viareggio’, antwoordde de Italiaan. ‘Goh dat is toevallig. Daar ben ik in 1964 op vakantie geweest. Het was mijn eerste vakantie buiten Duitsland. Geweldige tijd gehad’, zei Beckenbauer. Lippi stond erbij en keek ernaar. Wat verveeld. Wat wil je anders? Als je net als Lippi uit Viareggio komt, één van Italiës populairste badplaatsen langs de Toscaanse kust, overkomt het je vermoedelijk wel vaker dat de één of ander begint met: ‘Goh, dat is toevallig. Daar ben ik ooit op vakantie geweest’. Ik ook. Samen met een vriendin. Ik had Lippi kunnen vervelen met het verhaal dat we met onze billen uit de achterklep van de tot camper omgebouwde Mercedes Vito hingen toen we door de carabinieri op de bon werden geslingerd, vanwege wildplassen. Ik deed het niet en schoof in plaats daarvan een toastje met truffelpate naar binnen. Lippi vroeg waar Beckenbauer woonde (in de buurt van Salzburg) en begon over het WK van 2006 dat door de Duitsers zo fantastico georganiseerd was. Hij zei dat de staf van het hotel vreselijk gastvrij was geweest en dat dat zeker had bijgedragen tot het succes van de Italiaanse ploeg. Het ging er reuze gezellig aan toe tussen de Duitser en de Italiaan. Nou is dat op zich niet gek. Hitler en Mussolini konden het tijdens de Tweede Wereldoorlog ook heel best met elkaar vinden, maar in recenter jaren boterde het niet best tussen de twee naties. Had onder andere te maken met voetbal. Het begon allemaal tijdens de WK van 1970 toen de Italianen de Duitsers uit het toernooi knikkerden tijdens een legendarische halve finale, een duel dat de geschiedenis in zou gaan als ‘de wedstrijd van de eeuw’. Niet getreurd. De Duitsers zouden hun revanche krijgen. Tijdens de EK van 1980 in Rome bijvoorbeeld, toen West-Duitsland won. Net als tijdens de WK van 1990 toen Beckenbauer Der Mannschaft in Italië naar de werelditel leidde. Gelukkig voor de spaghetti’s werd de WK-finale van 1982 van Duitsland gewonnen en twee jaar geleden revancheerden de spelers zich op de best mogelijke manier voor Calciopoli door in Berlijn de wereldbeker op te eisen. Heerlijke vendetta! Wie weet komt het de komende EK weer tot een clash tussen de twee voetbalgiganten. Het zou de droomfinale van Der Franz zijn. Het Duitse bedrijf Media Markt nam op dat scenario alvast een voorschot. De hifi-keten besloot tot een campagne met Toni in de hoofdrol. Niet Luca Toni, sterspeler van Bayern en de nationale ploeg, maar een louche Italiaanse playboy, omhangen met schakelkettingen en een zonnebril op het voorhoofd geplakt. De aalgladde macho moet tijdens de EK de verkoopcijfers wat opstuwen. Alle cliché’s over Italianen komen tijdens de vier commercials aan bod. Dat ze onbetrouwbaar, seksistisch en corrupt zijn bijvoorbeeld. In één van de spots zien we Toni omringd door doldwaze Duitsers die en masse nieuwe televisies en laptops aanschaffen ‘om Der Mannschaft tot aan de finale te kunnen volgen’. Toni, in macaroni-Duits: ‘…terwijl wij Italianen gewoon de scheidsrechters omkopen…haha…(grapje)’. In Italië vonden ze er niks grappigs aan. Daar werd de campagne als een ernstige belediging opgevat. Boze Italiaanse medewerkers van Media Markt plaatsten een advertentie in de krant met als kop: ‘Als Italianen niet bestonden, zouden ze moeten worden uitgevonden’. Zelfs de Italiaanse ambassadeur in Berlijn bemoeide zich ermee. Hij schreef een boze brief, waarna het gewraakte filmpje van de buis werd gehaald. Luca Toni maakte zich ondertussen niet druk. ‘Of de Duitsers ons in de maling nemen? Mooi zo. Dat deden ze twee jaar geleden ook en toen wonnen we de wereldtitel. Hopelijk brengt het ons opnieuw geluk’.

Tuesday, June 10, 2008

Primo

Ik weet nog dat de kastelein van de bar tabacchi in het Noord-Italiaanse dorpje Sequals een versleten boksschoen in maat 54 op de toog zette. Een enorme schuit was het, in donkerbruin leer met rode veters; de schoen van een reus. Ik verslikte me bijna in de prosecco. ‘Die is nog van Primo Carnera geweest’, zei de man trots. De zolen waren versleten, het leer uitgebeten van het zweet. Daar moest ooit flink op getraind zijn. En dat deed Carnera dan ook. Touwtje springen met dat lijf van twee meter, hardlopen met die 125 kilo schoon aan de haak. Met mannen, vrouwen en kinderen op zijn schouders door de straten van Sequals. Echt waar, Primo deed het. Carnera wist dat hij als bokser geen natuurtalent was, dus moest de achterstand met trainen worden goed gemaakt. Er werd over de Italiaan van alles gezegd en geschreven. Dat hij bij de geboorte al acht kilo woog. Dat hij als twaalfjarige het lichaam van een man bezat. Dat er geen passende schoenen voor hem te vinden waren en dat zijn moeder hem daarom de kistjes van een gesneuvelde Oostenrijkse soldaat aantrok. Dat hij als puber een liter sinaasappelsap, twee liter melk, negentien boterhammen, veertien eieren en een pond prosciutto tijdens het ontbijt gebruikte. Dat de familie van Primo (mozaïekmakers van beroep) daar helemaal het geld niet voor had en dat pa en ma hem daarom naar een vrijgezelle tante in Frankrijk zonden, waar hij als prijsvechter bij een rondreizend circus terechtkwam. Dat Torre Gorgonzola uiteindelijk door een Parijse bokspromotor werd ontdekt, die van de reus een bokser besloot te maken. Ze zeiden dat hij een freak was. Dat hij er eigenlijk geen hout van kon. Dat hij maar wat liep te maaien met die armen, dat zijn voetenwerk nergens op leek. Dat hij kampioen werd gemaakt door New Yorkse mafiosi, die Primo’s potjes met dollartekens in hun ogen bekeken vanaf de eerste rij. Met een dikke sigaar in de mond en met chique gleufhoeden op de bol. Er werd gezegd dat hij een domoor was die zich liet paaien door Benito Mussolino die in Carnera het ideale propagandamiddel zag. Ach, ze zeiden zoveel. Feit is dat Primo Carnera Italiës eerste en enige wereldkampioen boksen in het zwaargewicht is en daarmee een held voor altijd. Hij wordt in één adem genoemd met campionissimo Coppi en racelegende Nuvolari en nog steeds zeggen moeders tegen hun kinderen: ‘Mangi (eet), dan word je later net zo groot en sterk als Carnera’. Zijn populariteit zit hem in het krankzinnige levensverhaal (hij was na zijn carrière ook nog worstelaar én filmster), waar boksers patent op lijken te hebben. En Primo had lef. Die ging naar de grond en stond weer op. Zoals in 1934 toen hij door Max Baer elf keer in twaalf ronden (een record!) tegen het canvas werd gemept. Carnera had na de eerste uppercut ook kunnen blijven liggen. Hij deed het niet. Hij stond op. Zoals hij het zijn hele leven gewend was geweest. Primo Carnera had al een eigen museum, een eigen stichting. Boeken, documentaires, schilderijen en strips werden aan hem gewijd. Vorige week kwam daar een fictiefilm bij, gemaakt door de Italiaanse cineast Renzo Martinelli. ‘Primo Carnera, the Walking Mountain’, ging in première in Madison Square Garden in New York, op de plek waar Carnera precies 75 jaar geleden wereldkampioen werd door Jack Sharkey in de 6de ronde knockout te slaan. In de bokstempel dit keer geen gangsters op de eerste rij, maar sterren zoals Robert de Niro, Sylvester Stallone en Martin Scorsese. En ze applaudiseerden allemaal voor Primo Carnera, de bokser die in 1967 overleed aan de gevolgen van suikerziekte en een leveraandoening. De reus stierf thuis in Sequals. Hij was pas 60 jaar oud. Nog een laatste espresso in Villa Carnera, een schietgebedje en dat was het dan wel. Op zijn graf hebben ze een mooie buste van de bokser neergezet. Wereldkampioen staat eronder: Primo.

Sunday, April 27, 2008

Idool

Toen ik dertien was hing er een poster van Giuseppe Giannini boven mijn bed. Dat vonden mijn vriendinnen maar raar. Die droomden van een kusje van Rob Lowe of Ralph Macchio uit the Karate Kid. Inge van twee deuren verderop was fan van Frank Zappa. Dat had ook wel wat. Zaten we ’s middags na schooltijd elpeehoezen te bestuderen en maar giechelen om Zappa’s: ‘Don't fool yourself girl, it's goin' right up your poopshoot. Ram it, ram it, ram it up your poopshoot...’ Hoe of waarom ik ooit met het aanbidden van Giannini begonnen ben, is mij niet meer helemaal duidelijk. Vermoedelijk zat er op een woensdagochtend opeens een uitklapposter van AS Roma of het Italiaanse elftal bij de Voetbal International en vielen de schellen dan eindelijk van mijn ogen. Giuseppe Giannini. Die naam alleen al. Klonk toch beter dan Cees Schapendonk of, pak ‘m beet, Ad van der Wiel. Prachtige gebeeldhouwde kop ook. Als uit marmer gebeiteld, maar dan in kleur. Met een stoere stoppelbaard erop en halflang golvend haar. Ik had net Paolo Maldini ontdekt en dan nu Giannini. Goh, dat zulke voetballers bestonden. En toen ben ik eens op onderzoek uitgegaan. Ik wilde alles over mijn Italiaanse held te weten komen. Bleek Giannini nog een geweldige voetballer te zijn ook. Een knapzak met klasse, wat wilde je nog meer? Giannini bleek een fantasista. Oftewel: een echte spelmaker met rugnummer tien. Capitano van AS Roma bovendien, in dat prachtige bloedrode shirt met de geel-oranje bies en Barilla op de borst gedrukt. Ze noemden hem Il Principe (het prinsje) omdat Giannini zo elegant voetballen kon. Ik stelde me daar van alles bij voor. Lekker dribbelen, met de bal aan de voet geplakt. De blik niet op de grond gericht, maar op oneindig, klaar om te passen. Op Francesco Graziani bijvoorbeeld. Of Rudi Völler. In Turijn en in Milaan hadden ze het knapste jongetje van de klas wat graag binnengehengeld, zo tegen het einde van de jaren tachtig, maar mooi dat Giannini nee zei tegen weet ik hoeveel miljard lire. Die voetbalde liever aan de boorden van de rivier de Tiber, in de stad waar hij geboren werd, bij de club van zijn hart. Het maakte van Giannini een onsterfelijke voetballer, een held voor velen en jeugdidool van een nog piepjonge Francesco Totti. Anno 2008 is Giuseppe Giannini bijna vergeten en voor Totti lonkt het einde van zijn carrière. De jongste posterheld der bakvissen is een Napolitaan van geboorte die luistert naar de naam Marco Borriello. De spits van Genoa is met negentien goals topscorer van de Serie A, nog vóór Trezeguet, Mutu en Del Piero. Het is niet alleen veelscoren dat Borriello doet, maar vooral mooiscoren. Zoals die halve omhaal met links tegen Cagliari. Vanuit de draai, aannemen en uithalen: rete! De wereld ligt sinds kort aan zijn voeten. Dat is wel eens anders geweest. Opgegroeid in de jeugdopleiding van AC Milan kreeg de Napolitaan nooit écht een kans. Hij werd vaker verhuurd. En toen zich vorig seizoen dan eindelijk een kans aandiende, werd Borriello op doping betrapt en voor vier maanden geschorst. Onterecht, vond Borriello’s vriendin. Belen Rodriguez, een Argentijns supermodel, nam tijdens een interview in de Italiaanse Sportweek heel onbaatzuchtig de schuld op zich. Bloedmooie Belen legde uit dat ze voor een onschuldig ontstekinkje aan haar intieme delen een pommata had gebruikt met daarin cortisonen. Het kon volgens Belen niet anders dan dat Marco dat spul via een vrijage in zijn systeem had gekregen. Onzin natuurlijk, maar wel een geweldige dopingsmoes. En weer eens wat anders dan: 1. Ik heb verontreinigde waterhoen gegeten (Stefano Garzelli) 2. De clenbuterol was voor mijn hond bedoeld (Frank Vandenbroucke) 3. Men heeft nandrolon in mijn tandpasta geïnjecteerd (Dieter Baumann). Gelukkig voor Borriello gloort er licht aan de horizon. In Genoa wisten ze het al langer, maar ook Roberto Donadoni lijkt nu om: Borriello is de nieuwe bravo van het Italiaanse voetbal. En nog bello ook.

Tuesday, April 22, 2008

Lippi 60 jaar

Het is dit seizoen geen feest om fan van AC Milan te zijn. Afgelopen weekend verloor de houder van de Europa Cup I van Juventus. Het was alweer de negende verliesbeurt van het seizoen, in eigen huis werd pas vijf keer gewonnen. Bijgelovige fans hebben het over de vloek van San Siro omdat in de spelonken van het stadion een zwarte kat is gesignaleerd. De realisten geven toe dat Milan een ploeg op leeftijd is. Nog een geluk dat clubeigenaar Silvio Berlusconi deze week de parlementsverkiezingen won. Valt er tenminste nog wat te vieren, in Milaan. Wie deze week ook wat te vieren had, is Marcello Romeo Lippi. De afgezwaaide bondscoach werd zaterdag zestig. In Italië werd bij die mijlpaal uitgebreid stilgestaan. Een taart op de redactie van de Gazzetta, kaarsjes uitblazen in de studio van Sky. De voormalig bondstrainer is in Italië Santo Lippi. Ik liep hem ooit tegen het lijf in Florence. Lippi knipoogde vanaf de overkant van de straat, ik zwaaide vriendelijk terug. Oe-la-la, zoals de trainer in de chiqueste winkelstraat van Florence aan het palazzo Strozzi en de etalages van Dolce & Gabbana voorbij kuierde. Hier liep niet zomaar iemand, hier liep Lippi. Zo zag succes er dus uit. Italianen zijn een meester in het fingeren van nonchalance. Alsof stijl vanzelfsprekend is. Lippi had die ochtend besloten zich in een prachtig, strak gesneden donkerblauw kostuum te hijsen, mooi contrasterend overhemd en een paar lichtbruine loafers aan de voeten. Een hand bungelde losjes in de broekzak, met de andere hield hij een sigaar beet. Lippi nam een paar trekjes. De rook kringelde omhoog en gaf de grijsaard het aureool van een heilige: een voetbalheilige in de kunststad Florence, waar rond 1400 al een antieke vorm van voetbal werd gespeeld – het Calcio Storico - en waar kunstenaar en naamgenoot Filippino Lippi tijdens de Renaissance ook al werd bewierookt. Grande Marcello zou niet hebben misstaan in de eregalerij van de artiest, die tussen 1457 en 1504 Madonna's in vochtig pleister frescoëde - voetbaltrainers bestonden nog niet. Zo’n vijf eeuwen later stond ik op Schiphol toen Lippi zich in april 1997 meldde in verband met de halve finale in de Champions League van Ajax tegen Juventus. 'Marcello Lippi e un gran' allenatore...tralalalala', werd er gezongen door de fans. Ik verstond er geen bal van, maar het klonk geweldig. Lippi zat voorin in de bus en maakte een verpletterend gedistingeerde indruk. Met die distinctie valt het overigens wel mee. Daarvoor is de in Viareggio geboren Lippi tezeer een type ruwe bolster, blanke pit. ‘E un uomo di mare’, zeggen ze in Italië om maar aan te geven dat Lippi het rauwe en soms onvoorspelbare karakter van de zee met zich meedraagt. Tijdens trainingen en persconferenties vloekt en tiert de Toscaan er gewoonlijk op los, soms op het vulgaire af. Niet uit boosheid of om te beledigen, maar gewoon, het is onderdeel van zijn vocabulaire. Net zoals de woorden spingere (druk zetten), profondita (diepgang) en grinta (vechtlust). ‘Dat is heel normaal voor Viareggini, dat vloeken’, legde mijn vriendin Gianna deze week uit. ‘Dat doen de badmeesters op het strand ook. Dio porca Madonna di Dio en nog veel erger’. De spelers van de squadra azzurra vonden dat het allemaal wel meeviel met het taalgebruik van de zeebonk. En wat nog fijner was: Met Lippi hadden ze eindelijk een trainer die niet om de hete brij heendraaide als het om de tactiek ging of wie wel en niet speelden. Bovendien hield Lippi de spelersgroep uit de wind tijdens de affaire Calciopoli. Het leverde hem de bijnaam il condottiero (de leider) op. ‘Ik ben liever een leider dan een vaderfiguur. Een vader hebben ze al', schreef hij in zijn biografie. Na de WK nam Lippi afscheid van de bank. ‘Voorlopig’, zei hij toen. Maar een sabbatical year, werden er twee en de vraag is of Lippi ooit terugkeert als trainer. Hij zit liever op zijn boot. Beetje vissen. Hij flirt wat met dames uit het dorp of maakt een ommetje op de fiets. ’s Middags naar Bagno Tirreno voor een pasta alle cicale en daarna de zilte zeelucht opsnuiven. Goed voor de spijsvertering. Laatst wilde Lippi na de pasta naar huis, bleek zijn fiets gestolen. Daar had hij enorm de pest over in aangezien het rijwiel hem na de WK door de spelersgroep kado was gedaan. ‘Het gaat om de emotionele waarde’, zei Lippi tegenover een lokale krant en deed een oproep aan de onrechtmatige eigenaar om de fiets terug te bezorgen. ‘Kijk, Lippi kan met zijn miljoenen wel tien fietsen kopen, maar daar gaat het dus niet om he? Het gaat erom dat hij geniet van het kleine, dat hij trouw is gebleven aan zijn leven en vrienden van voor de WK’, zei Gianna. Op wie zou Lippi gestemd hebben maandag? Op Veltroni of Berlusconi?